De toren van Babel. Deel I

De Toren van Babel
Een kritische blik op het landbouwbeleid.

Voorwoord
Hiertoe aangemoedigd door familie en kennissen was voor mij aanleiding tot het
bundelen van een aantal geschreven artikelen, in de vorm van een boek.
Voor een boek geldt dat het niet zomaar een bundeling is van een al of niet bepaald aantal bladzijden. Bladzijden zijn meestal de dragers van een gebeuren dat zich afspeelde in het hoofd van de schrijver, een gebeuren waarbij de schrijver al schrijvende wordt meegevoerd door de figuren door hem zelf bedacht. Die figuren zelf en de door hem bedachte situaties dicteren hem vervolgens hoe het gebeuren zich verder zal voltrekken.

Dit boek is slechts een bundeling van een aantal artikelen welke op een
uitzondering na werden gepubliceerd op de agrarische site >landbouw.paginablog.nl <
Zij berusten niet op fantasie, maar zijn een betoog, en geven de opvatting weer over, en kritiek op ontwikkelingen in de agrarische sector. Ontwikkelingen die, zoals ik meen, wellicht te vaak werden aangestuurd, niet uitgaande van op kennis geschoeide waarneming, maar door die van gegroeide vanzelfsprekendheden, aangereikt door maatschappelijke groeperingen die inspelende op behoudende sentimenten in de
samenleving, hun betwijfelbare waarheden met valse argumenten onderbouwend, door
middel van voortdurende propaganda en het voeren van bedenkelijke acties, deze niet
alleen als vanzelfsprekendheden hebben doen verankeren in die samenleving. Neen, deze vanzelfsprekendheden hebben vervolgens geleid tot inwilliging van eisen die middels zgn. “publiekvriendelijke” acties, bij voorbeeld voor de ingang van als fout aangemerkte winkelbedrijven, moesten bewerkstelligen dat klanten zich zouden schamen er binnen te gaan, en waarbij het winkelbedrijf zich moest afvragen hoe zijn concurrent daarop zou reageren.

Een aantal artikelen maken duidelijk dat ook de wetgeving op dit terrein onder
invloed staat van de hier genoemde manier van actievoeren.
Ook belangen van milieuorganisaties en die van de agrarische sector die, al hoewel
meestal om andere redenen, beider belangen blijken te zijn, hebben geleid tot vaak
merkwaardige convenanten. Vooral het artikel “Zijn Braziliaanse boeren moderne slaven” laat zien hoe opportunisme de principes verkwanselt. Ook wordt duidelijk dat met protectionistisch landbouwbeleid niet alleen de onderontwikkelde landen een groot onrecht wordt aangedaan, maar ook dat dit wellicht een der voornaamste oorzaken is van het huidige voedseltekort in de wereld.
Het boek omvat 23 artikelen, waarvan “De toren van Babel”, als metafoor voor alle
spraakverwarring, als eerste. De artikelen volgen zo veel mogelijk de hoofdstukken uit het eerst genoemde, waaruit bovendien een enkel citaat werd over genomen. Een aantal er van zijn vertalingen van de Amerikaanse geleerde Dennis T. Avery. Ook zijn zoon Alex heeft met het artikel “De waarheid rond ecologisch voedsel” zijn bijdrage er aan toe gevoegd.

Dennis Avery is lid van het wetenschappelijk genootschap aan het Hudson Instituut. Hij heeft zijn basis in Churchville V.A. en is directeur aan het Hudson Institute’s center voor Global voedselonderwerpen. Alex Avery is leiding gevend bij het onderzoekcentrum voor Global voedselonderwerpen, en is auteur van het nieuwste boek The truth about Organic Foods.

Niet alleen heb ik de Avery’s bereid gevonden mij hun fiat te geven tot het vertalen en publiceren van hun artikelen. Ook op mijn verzoek er mee akkoord te gaan, mocht ik besluiten ook hun artikelen op te nemen in het uit te geven boek, verkreeg ik hun
volledige medewerking. Met dank aan de schrijvers Dennis T. Avery, zijn zoon Alex, familie en vrienden die mij aanmoedigden het boek te verwezenlijken, maar ook de heer Scholten, die als beheerder van de site zijn fiat gaf voor het uitgeven van het boek, laat ik het oordeel over deze collage graag aan de lezer.

De schrijver.

Inhoudsopgave
Inhoudsopgave ………………………………………………………………………………………………………  5
De Toren van Babel…………………………………………………………………………………………………………………….. 7
Zijn Braziliaanse boeren moderne slaven? ………………………………………………………………. 33
De waarheid rond biologisch voedsel ……………………………………………………………………… 39
Andere geluiden……………………………………………………………………………………………………. 43
Globalisatieangsten……………………………………………………………………………………………….. 47
Europa geeft zich gewonnen t.a.v. de Biotechnologie ……………………………………………….. 53
Zure regels……………………………………………………………………………………………………………. 55
Koeien van mensen……………………………………………………………………………………………….. 59
Intelligente varkens……………………………………………………………………………………………….. 63
De bescheiden Ecoboer………………………………………………………………………………………….. 67
Een derde boeren weg uit landbouw ……………………………………………………………………….. 69
De boer van nu trekt uit het landschap zijn euro’s……………………………………………………… 71
Een eerlijk gesprek rond gebruik antibiotica in de veevoederindustrie ………………………… 75
Van blije leggers en kip-onvriendelijke regels. …………………………………………………………. 83
Ecologische pluimveehouders verkregen het recht, de Aziatische vogelgriep te
verspreiden. …………………………………………………………………………………………………………. 87
Free range kippen en eenden een gevaar voor de mensheid………………………………………..  89
Lachgas ……………………………………………………………………………………………………………….. 91
Heeft CO2 werkelijk invloed op de temperatuur? ……………………………………………………… 97
Euro, recessie, en prijzen. ……………………………………………………………………………………… 101
Waar de wereld nu op wacht: Een Goede Landbouwhandelsoorlog ……………………………  105
De periodieke klimaat kringloop kan niet worden gestopt. ………………………………………..  107
Leugens over de vrije markt…………………………………………………………………………………..  111

Reacties……………………………………………………………………………………………………………….. 115

J.A.M. Beijer
7
De Toren van Babel.
Eens in ver vervlogen tijden deed het zich voor dat de kinderen van Noach zich wensten een toren te bouwen. Een toren die niet alleen moest reiken naar de hemel, maar die moest worden een monument van trots en saamhorigheid. Hij moest ook worden het rustpunt, het centrum van de wereld, hun wereld. Zijn schaduw zou alles wat leeft tot in de verste uithoeken herinneren aan elkaars lotsverbondenheid. Het bindend element van een ondeelbare wereld. Een wereld waar nooit de verschrikking van oorlog en destructie zou knagen aan het menselijk geluk.
Omdat er geen landsgrenzen bestonden haalden zij het voor de toren benodigde
materiaal waar dat het meest voorkwam en het makkelijkst was te bereiken. En zo begon de bouw van het meest spectaculaire bouwwerk dat de wereld tot dan toe had gezien. Het leek allemaal zo mooi, maar terwijl de toren hoger en hoger werd bleek al spoedig dat het naar boven brengen van de benodigde bouwmaterialen steeds meer inspanning vergde Niet alleen de als maar toenemende hoogte maakte het moeilijk; ook het feit dat alles over steeds grotere afstand moest worden aangevoerd, zorgde voor veel onvrede. Daarbij kwam dat de verzoeken voor het naar boven brengen van de voor de bouw benodigde materialen al spoedig niet meer werden begrepen. Woorden verwaaiden in de wind en kwamen steeds vaker in plaats van rechtstreeks, slechts via een echo vanuit verre oorden als vervormde klanken in de ervoor bestemde oren. Het meest rare materiaal kwam ter bestemde plaats aan. In plaats van gevraagde stenen werden speren naar boven gebracht, waar vervolgens de werklieden elkaar mee te lijf gingen en degenen die voor de aanvoer er van verantwoordelijk waren, werden er mee gedood.

En zo werd de toren in plaats van een centripetale, een centrifugale kracht, zodat niet alleen woorden uitwaaierden naar verre windstreken. Ook de mensen, elk van hen
pratend in andere en vreemde klanken, zwierven uit over de wereld en stichtten hun
eigen staat. Zo werden landen elkaars concurrenten en maar al te vaak elkaars vijanden. Zij sloten zich op in hun eigen genoegzaamheid. Alleen de door hen zelf gewonnen producten werden geacht het beste te zijn wat de wereld te bieden had. Producten en grondstoffen uit andere streken werden zoveel mogelijk geweerd, of het aangevoerde belast, zodat de prijs moest worden verhoogd, zodanig dat het voordelig leek de productie van die goederen en het winnen van grondstoffen zelf ter hand te nemen.
De door hen zelf geproduceerde goederen werden, wanneer te veel voor gebruik in eigen land, tegen dumpprijzen op vreemde markten verkocht, terwijl de producenten
schadeloos werden gesteld met de op ingevoerde goederen geinde belastingpenningen.
En zo werden de goedkoop producerende landen gedwongen te stoppen met hun
bedrijvigheid om ten slotte tot armoede te vervallen.
Duizenden jaren en vele oorlogen gingen aan de wereld voorbij, toen wijze mannen en
vrouwen ons leerden dat het voor elk land voordeel oplevert zijn producten te betrekken uit die landen welke deze het goedkoopst kunnen aanbieden, en alleen die goederen te produceren die door hen zelf tegen vergelijkbare of lagere kosten kunnen worden aangemaakt.
En zo wordt sinds een halve eeuw gewerkt aan het “herstel” van de vrije markt, het
uitwisselen van goederen en diensten tussen landen en continenten. Een markt waarop
een ieder en dit zonder enigerlei belemmering goederen en diensten mag aanbieden.

De Toren van Babel
8
Wereldhandel, dat was het ideaal. Niet het nationaal product, maar een mondiaal
geserveerde dis, waaraan elk land naar beste kunnen en met zijn meest voordelig te
realiseren producten via een vrije markt moest kunnen bijdragen.
Maar het verwezenlijken van een vrije markt blijkt niet zo simpel als men zou willen.
Onze bureaucratische instellingen, maar ook de geneigdheid tot protectionisme, die ons sinds het mislukken van het bouwwerk parten speelt, maken dat het proces van
globalisering zich moeizaam en vaak langs moeilijk begaanbare wegen voltrekt. Zoals ooit in de tijd toen men bezig was zich een toren te bouwen die het symbool moest worden van eendracht en welvaart, maar in plaats daarvan het symbool werd van verdeeldheid, blijken ook nu tegenwerkende krachten op te staan, die tweedeling teweeg brengen tussen hen die bereid zijn offers te brengen voor het ideaal van een veiliger en welvarender wereld, en hen die zich hier tegen keren. De tegenstanders van globalisatie pleiten voor het behoud van kleinschalige landbouw, onder het motto dat landbouw hoort bij de samenleving, Maar ook de primitieve landbouw in de onderontwikkelde landen wordt door hen in bescherming genomen tegen de opkomende grootschaligheid in de landbouw wanneer vrije wereldhandel werkelijkheid wordt. Het is hun vrees ook dat multinationals, ook op agrarisch gebied de toon zullen zetten. En verder gelden voor hen bezwaren t.a.v. het milieu en de vrees voor het teloor gaan van cultuureigen waarden.

Rol pastoraat
Een reactie op het artikel “Rol pastoraat voor andere filosofie onder boeren”. Brabants
Dagblad 25 februari 1996. In het artikel wordt de boerenstandsorganisatie verweten dat zij meewerkt aan het uitleveren van de landbouw aan de vrije markt. “De god die geld heet wordt door haar centraal gesteld” In het boek “Ons deel van de arbeid” van Michael Bastiaansen en “Een duurzame boterham” van Gerrit Buunk wordt de kerken een rol toebedeeld in het proces “anders denken” over de toekomst van het boerenbedrijf.
“Boeren moeten, willen zij overleven, afzien van het gangbare landbouwmodel dat
toewerkt naar steeds groter en steeds meer”. Zij moeten aldus deze auteurs kiezen voor “genoeg is genoeg”.
Maar verdraagt het streven naar een open markt een mentaliteit van genoeg is genoeg?
Als men enerzijds de ontwikkeling van een open markt toejuicht als bron van grotere
welvaart voor elke wereldburger, hoe kan men dan verdedigen agrarisch te produceren op een schaal en bij een werkwijze die het onvermijdelijk maakt consumenten, met behulp van vaak obscure redenen, te verleiden de aldus te duur geproduceerde producten te kopen. Dat deze consumenten hiermee de voordelen die een open markt ook voor hen in petto heeft moeten ontberen behoefd geen betoog.
Drogredenen; maar wat de een als misleiding ziet zal bij de ander de heiligste intentie opwekken dingen voortaan anders te doen. Daarom zullen we alvorens dit woord al dan
niet te rechtvaardigen moeten nagaan wat er verscholen gaat achter opvattingen en
drijfveren daarachter. Dominee Pim Verschoor constateert dat “het proces van meer
willen nauwelijks is te stoppen. Vroeger had elk dorp zijn eigen brouwerij. Nu zijn er nog
maar een paar en de groten hebben altijd de kleinen opgeslokt”.
Deze uitspraak doet vermoeden dat nostalgie en de idee van “de goeie ouwe tijd” mogelijk ook ten grondslag ligt aan maatschappelijke weerstanden t.a.v. economische
ontwikkelingen. Toch lijken deze ontwikkelingen niet alleen onvermijdelijk omdat
concurrentie dwingt tot schaalvergroting en omdat de techniek dit mogelijk maakt.
Ook gezien het feit dat de voortschrijdende innovatie op technisch gebied en het al maar groter worden van de dienstensector een toenemende zuigkracht uitoefent op de
arbeidsmarkt, zal aan schaalvergroting en toepassing van moderne middelen, ook in de
landbouw niet te ontkomen zijn.
“Niet meedoen in de race, waarbij je buurman verandert van collega in concurrent”, ligt
naar de mening van een zekere mevrouw van Lire verankerd in een geloofsvisie. “Je land
brengt minder op en mensen kunnen je verwijten dat je bent over gelopen naar de milieu
jongens. Maar tegelijkertijd zie je ook de goede kwaliteit van je producten, de lage
rekening van de dierenarts en het wegvallen van de post kunstmest”. Zij stelt dat bij deze
wijze van werken het een absolute voorwaarde is dat de prijzen “eerlijk blijven”. Niet de
mestmaatregelen, maar “oneerlijke prijzen”, meent zij, zijn het die de boer de das
omdoen. “Oneerlijke prijzen ontstaan wanneer de regering vlees uit Brazilië voor harde
guldens laat importeren”. Zo zou het ook slechts in het belang van de supermarkt zijn,
wanneer die overgaat tot het verkopen van Iers vlees en dus niet in het belang van de
consument. De mening blijkt te hebben postgevat dat het niet de consument is die gebrek
aan belangstelling toont voor ecologische producten. Neen; “afzetmogelijkheden worden
afgehouden door de supermarkten die niet willen meewerken.”
In zijn boek ontdekt Gerrit Buunk perspectief voor een andere instelling van mensen, een
instelling waarin boer, consument, ecoloog en landbouworganisatie samen werken
terwille van een rechtvaardige economie. “De boer moet een redelijke boterham kunnen
verdienen terwijl de aarde niet wordt geschaad”. Volgens hem zou de kerk hierin
pastorale gesprekken op gang moeten brengen waardoor alle betrokkenen zich samen
sterk kunnen maken op deze nieuwe weg.
“Het land brengt minder op, goede kwaliteit van producten, lage rekening van de
dierenarts, het wegvallen van de post kunstmest, oneerlijke prijzen als gevolg van
vleesimport uit Brazilië en het aanbieden van Iers vlees in onze supermarkten”. Zie daar
een aantal punten, dienende om een wijze van produceren te verdedigen die indruist
tegen de doelstellingen van een open markt.
Dat bij lage opbrengst de aarde minder wordt geschaad moet, naar ik aanneem, gebaseerd
zijn op het feit dat geen kunstmest en bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Dat bij deze
wijze van produceren de opbrengst door gebrek aan plantenvoedende stoffen en ook
wegens het optreden van velerlei ziekten en plagen een lage opbrengst voor lief zal
moeten worden genomen lijkt evident. Iets anders is het hoe aan te tonen dat kunstmest
en bestrijdingsmiddelen schadelijk zijn voor het milieu. Hen die het woord scheikunde
niet vreemd is kunnen weten dat plantenvoedende elementen, deel uitmakende van
verschillende soorten meststoffen, hetzij kunstmest of mest door onze huisdieren
geproduceerd, universeel hetzelfde zijn. Hiermee is echter niet alles gezegd: Kalizout is
een verbinding van het element Kalium en Chloor. Zo is zwavelzure ammoniak een
verbinding van zwavelzuur en ammonium. Wegens de zuurresten van beiden moet aan
deze meststoffen een fysiologisch zure werking worden toegeschreven. Hier staat
tegenover echter dat vele andere meststoffen juist een basische uitwerking hebben.
Daarbij mag worden vermeld dat granen, zonnebloemen, bieten, koolraap en enige
anderen het chloor uit kalizouten voor het grootste deel opnemen. Bovendien wordt
tegenwoordig de meeste kunstmest als gemengde meststof in de handel gebracht. Zo
kunnen Chloor en zwavelzuur worden vervangen door de voor planten noodzakelijke
voedingsstoffen, als nitraat en fosforzuur. Wat betreft bestrijdingsmiddelen in de land en
tuinbouw: Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat, door de ook op het gebied van bestrijdingsmiddelen een zo explosieve ontwikkeling, in de achter ons liggende decennia
fouten zijn gemaakt. Ongetwijfeld zullen tengevolge hiervan schadelijke stoffen in het
milieu terecht zijn gekomen. Maar we mogen ons hierbij toch afvragen of het terecht is
op grond hiervan te besluiten dat chemische bestrijdingsmiddelen, hoe dan ook, uit den
boze, zijn en daarom het kind met het badwater moet worden weggespoeld. Zeker is dat
zowel wat betreft middelen tegen ziekten alswel die ter bestrijding van onkruid, deze
thans niet alleen zijn toegesneden op specifieke gewassen en ziekten. Maar ook blijken
deze middelen ( koolwaterstoffen ) gemakkelijk afbreekbaar.
Mevrouw van Liere merkt op dat welliswaar de opbrengst lager is, maar zegt zij: “je ziet
ook de goede kwaliteit van je producten”. Afgezien van wormstekig en door schurft
aangetast fruit, door phytoftora aangetaste aardappelen, wanneer bestrijdingsmiddelen
taboe zijn, mag ik aannemen dat de meeste in haar systeem gewonnen producten
kwalitatief goed genoeg zijn. Dat deze producten beter zijn dan die uit de reguliere sector,
blijkt echter niet aantoonbaar. En hoe zit het met de lage rekening van de dierenarts? Is
die werkelijk zo laag? Het is bekend dat loslopende varkens en kippen ver meer te
kampen hebben met vooral parasitaire aandoeningen, om maar te zwijgen van bacteriële
infecties als gevolg daar van. Ik denk dat hier, als zo vaak, de wens de vader is van de
gedachte. Maar hoe zit het met de door haar gedachte “eerlijke prijzen”? Zij vindt het niet
gepast vlees uit Brazilië te importeren en ook het Iers vlees zou niet in de schappen van
de supermarkt mogen voorkomen. Is dit nu echt de manier om tot eerlijke prijzen te
komen? Zolang niet kan worden aangetoond dat er, voor wat de volksgezondheid aangaat,
iets mis is met uit andere landen geïmporteerd voedsel lijkt mij dat een eerlijke prijs in
principe moet stoelen op eerlijke concurrentie. Haar opvatting t.a.v. het uit Ierland
geïmporteerde vlees is toch echt bevreemdend.Terwijl een alom bekende supermarkt
reclame maakt voor het door haar uit Ierland geïmporteerde “greenfield meat”, waarbij is
gebleken dat juist de milieubewuste huisvrouw zich aangesproken voelt, suggereert zij
dat hier slechts het belang van de supermarkt wordt gediend. Wat betreft
afzetmogelijkheden die door de supermakten zouden worden afgehouden; het lijkt mij
dat deze in tegendeel zeker bereid zijn zgn. ecologische producten te verhandelen, mits
dit hun financieel te pas komt.
Wat betekent ecologische landbouw? Voor sommigen onder ons betekent dit het op
kleine schaal voortbrengen van gewassen en dierlijke producten. Dit liefst zonder hierbij
gebruik te maken van welke moderne hulpmiddelen ook. Anderen, die hebben begrepen
dat met de uitvinding van het eerste visnet de exodus uit de agrarische sector een aanvang
nam, weten dat juist hierdoor deelname aan het agrarische productieproces is
voorbehouden aan nog slechts enkele procenten van de bevolking. Agrarische productie
op kleine schaal is dan ook een absurde gedachte. En gezien de toename van de
wereldbevolking en de ook daardoor toenemende vraag naar agrarische producten zal
tegelijkertijd de behoefte aan goede middelen ter bestrijding van ziekten en onkruid
alleen maar groter worden. Naar mijn overtuiging is, ongeacht op welke schaal,
ecologische productie het proces waarbij met alle, door een van haar verantwoording
bewuste overheid toegestane middelen, voedsel wordt geproduceerd. Dat de overheid zich
hierbij moet laten sturen door op wetenschappelijk onderzoek verkregen informatie en
niet door de politiek wanneer die zich laat leiden door obscure milieuorganisaties en
ongefundeerde maatschappelijke opvattingen, behoeft mijns inziens geen betoog.Waarom gemakkelijk?
Waarom gemakkelijk als het ook moeilijk kan? Een aantal argumenten hiervoor zijn al
genoemd. Ook de vrees te worden uitgeschakeld door een moordende concurrentie op de
ophanden zijnde wereldmarkt kan het aanlokkelijk maken voor economisch zwakstaande
ondernemers hun toevlucht te zoeken in een alternatieve wijze van produceren. Maar een
wijze van produceren die niet alleen meer arbeid vergt, maar ook een lagere productiviteit
inhoudt, nodigt uit tot het doen van niet te staven beweringen, aangereikt door milieu en
anti-openmarkt organisaties, die consumenten moet aantrekken de aldus gewonnen
producten tegen een aan deze wijze van produceren aangepaste prijs te kopen.
“De producent moet inhaken op de wens van de consument”. Maar als deze wens
ontstaat als gevolg van valse drijfveren die inhaken op de angst van de consument t.a.v.
zijn product; een angst gevoed door argumenten vanuit milieuorganisaties die niet
schromen het terzake onkundige publiek hun aanvechtbare opvattingen te doen
overnemen, is dit geen goede zaak. Zoals ook bij de opkomst van onze spoorwegen,
alweer meer dan honderd jaar geleden, ontstond een panische angst onder de mensen die
zich tot in die tijd plachten te verplaatsen per paardentractie. Bij elke kruising van een
bospad kon je immers worden overvallen door een aanstormende trein. De paarden
zouden op de vlucht slaan of nog erger; in de paniek van het moment zouden ze er onder
lopen en de passagiers in hun ondergang meesleuren. Dat deze vrees door handelaren in
paarden en exploitanten van het toenmalige vervoermiddel werd gevoed, spreekt voor
zich.
Genetische experimenten.
Als God lijkt verdwenen achter de horizon, blijkt er een dringende behoefte te ontstaan
voor een alternatief. Een alternatief dat moet zorgen dat noch de gewone mens, noch de
wetenschapper zich zal verliezen in experimenten die gevaar kunnen opleveren voor het
voortbestaan van de wereld. De alternatieve “God” wordt niet aanbeden in kerken of
synagogen. Hij vindt onderdak bij nostalgisch ingestelde lieden en bij hen wier belang
het best gediend lijkt door alles te laten voor wat het is. Maar ook bij hen die zijn wraak
over ons afroepen wanneer, zoals zij zeggen, de wetenschap probeert zijn plaats in te
nemen, en tracht het leven naar zijn hand te zetten. Hoe zwaarwegend dit ook mag
lijken, het staat vast dat evolutie en kansspel in de loop van miljoenen jaren de met rede
begaafde mens hebben voort gebracht. In diens grijze cellen lijkt de materie zich zelf
bewust te worden. En is het dan wonder dat sinds het ontstaan van de mens niet meer
alleen het kansspel de gang van zaken bepaalt?
Het gaat hierbij niet alleen om het feit dat sinds het verschijnsel mens de bomen niet
meer bij toeval alleen hun plaats vinden. Ons verstand en onze nooit aflatende
nieuwsgierigheid maakten het mogelijk de materie naar onze wil te ordenen en de
biologische achtergrond van al wat leeft te doorgronden. Niet meer alleen het toeval
bepaalt wat de levende verschijningsvormen ons kunnen bieden. Het doelgericht bijeen
brengen van erfelijk materiaal en dit niet alleen van dieren of planten van hetzelfde
geslacht, maar ook het erfelijk materiaal uit zeer van elkaar verschillende organismen bij
elkaar gebracht blijkt tot wonderbaarlijke resultaten te leiden. Genetisch veranderde
dieren en planten. Planten die door middel van andere soorten ingebrachte genen
immuun blijken voor bepaalde ziekten en plagen. Runderen waar een menselijk gen
werd ingebracht met als resultaat dat de geproduceerde melk een stof bevat die een
bepaalde ziekte bij kinderen voorkomt.

En niet te vergeten gengemanipuleerde dieren, waar mee het wellicht mogelijk wordt in de naaste toekomst dierlijke organen over te brengen op mensen.
Geen zinnig mens wil dat van uit deze mogelijkheid levensgevaarlijke monsters worden
gecreëerd. Die worden ons overigens meer dan ons lief is aangeboden vanuit de evolutie
zelf. Maar zij die dit vrezen kunnen die niet beter hun bezorgdheid richten op bestaande
regimes die niet terug deinzen de vrije wereld te bedreigen met chemische en biologische
vernietigingswapens? Het lijkt mij niet dat deze hiervoor zijn aangewezen op
gentechnologie. Maar wat bezielt mensen die zich hoe dan ook keren tegen elke vorm van
vooruitgang, en ook tegen gentechnologie en wie zijn zij? Een ding lijken zij gemeen te
hebben; dat is hun beroep op de ethiek, hun moraalfilosofie.
Wie zijn deze mensen? Zijn zij het die zich aangetrokken voelen tot, en deel uitmaken
van organisaties en stromingen als antiglobalisme, recht voor dieren, milieu, greenpeace
en small is beautifull? Zij zijn tegen grootschalige landbouw. Kunstmest en moderne
bestrijdingsmiddelen zijn hun een doorn in het oog; zij zijn tegen gentechnologie; tegen
het houden van dieren op commerciële basis en natuurlijk ook tegen globalisatie,
waarvan de open markt een onderdeel vormt. Zij hebben weinig behoefte aan een wereld
zonder grenzen, laat staan een wereldmarkt. Hun markt is er een van ideeën en die zijn
niet aan grenzen gebonden. Zo als de wind, zij gaan waarheen ze willen. Misschien zelfs
brengt een wereld zonder grenzen de zaak, waar zij voor zeggen te staan, te veel in het
ongewisse. Deze mensen houden zich niet alleen bezig met het thema dat de naam van
hun organisatie doet vermoeden. Het lijkt er meer op dat ze in feite allemaal lid zijn van
een en de zelfde organisatie.Vast staat dat zelfs het woord “globalisatie” hen op de
barricaden brengt. Globalisatie, zeggen zij, heeft enkel tot doel en resultaat dat de rijke
landen er beter van worden en de armen armer. De onderontwikkelde landen worden
naar hun mening of naar hun zeggen nog meer afhankelijk. Zij zien liever dat de mensen
daar worden geholpen en gestimuleerd hun kleinschalige akkertjes op hun eigen
kleinschalige wijze te blijven bewerken. Maar grootschalige en gemechaniseerde
landbouw zal zeer zeker ook in de derde wereldlanden de plaats gaan innemen van de
primitieve werkwijze die tot op heden slechts tot armoede en honger leidde. Dat dit
waarschijnlijk zal worden ingeleid door ook in financieel opzicht belanghebbenden van
buiten deze gebieden mag geen excuus zijn die ontwikkeling tegen te houden. En mogen
we ons hierbij ook afvragen of het de zelfde maatschappelijke groeperingen waren die
zich tijdens de gloriedagen van het communisme sterk maakten voor het consumeren
van de Cubaanse rietsuiker? Toen werd het van de daken geschreeuwd dat die niet alleen
beter was dan de door ons geproduceerde. Zij vonden het bovendien misdadig rietsuiker
met invoerheffingen te belasten en vervolgens onze bietsuiker met behulp van
exportsubsidies op de wereldmarkt te dumpen. Met dat laatste hadden zij gelijk. Wel
vraag ik me hierbij af wat de werkelijke drijfveren waren achter deze schijnbaar zo nobele
gedachte.

Babylonische spraakverwarring

De Babylonische spraakverwarring vindt niet alleen plaats rond de open markt. Een
artikel uit het “Brabants Dagblad” 28 Nov. 2001 luidt: “Pionierend varkenshouder redt het
niet”.Deze varkenshouder had zich laten verleiden van de reguliere wijze van varkens
houden over te gaan op biologisch varkens houden. Het leek allemaal zo mooi, de varkens
in het stro en wroetend buiten in de wei. Dat was zo in het begin, maar het tweede jaar
werd een complete ramp. Het verplichte biologisch voer werd gigantisch duurder. Met als
gevolg dat de kosten met zestigduizend gulden per jaar omhoog gingen. Daarbij werd hij
J.A.M. Beijer
13
geconfronteerd met allerlei ziekten en plagen; o.a. abortus en de z.g.n. wegkwijnziekte. In
plaats van boer werd hij huisman. Zijn vrouw heeft een baan gevonden. Hij zegt: “je
moest voortdurend pionieren en van je eigen fouten leren, omdat je nergens de kennis
vandaan kunt halen”. Middels een afkoopregeling hoopt hij zijn ergste schulden te
kunnen afbetalen. Bij dit alles rijst toch de vraag of het niet beter was geweest wanneer hij
te raden zou zijn gegaan bij de reguliere sector? Daar had hij kunnen leren waarom bij
grootschalig houden van dieren moet worden uitgezien naar de thans gangbare systemen.
En was het niet onze minister van Landbouw, die tijdens de varkenspest, samen met een
handelscommissie in China onze moderne stalinrichtingen promootte? Op televisie
hebben we kunnen zien onder welke erbarmelijke omstandigheden de “scharrelvarkens”
daar werden gehouden.
Zijn eigen ervaringen met het ministerie van Landbouw geven hem weinig vertrouwen in
de toekomst van de biologische varkenshouderij. Hij vertelt over het bezoek van enkele
hoge ambtenaren, toen zijn bedrijf al op sterven na dood was. Ze maakten hem duidelijk
dat hij niet op steun hoefde te rekenen. Een van hen zei het zo: “We gebruiken de
biologische varkenshouderij alleen om de intensieve varkenshouder te laten geloven dat
het ook anders kan”. Deze “cynische” opmerking frustreerde hem zodanig dat de
beslissing te stoppen snel was genomen.
Geheim achter blije varkens
Een ander artikel “Het geheim achter blije varkens: gerstestro” beschrijft hoe een stel
jonge ondernemende mensen met de varkenspest achter zich, hadden bedacht hun 700
vleesvarkens en fokzeugen te gaan houden op gerstestro. (gerstestro geeft blanke varkens)
De stichting Wakker Dier en de Sophia Vereniging tot bescherming van dieren hadden
een nationale prijs uitgeloofd voor de meest diervriendelijke varkenshouder van
Nederland; de Varkenstrofee! Onze jonge ondernemers werden aangewezen de door deze
club bedachte titel te mogen dragen. Behalve een beker en oorkonde kregen zij bovendien
een enorme vrachtwagen stro cadeau. De jury die meende hen te moeten uitverkiezen
bestond uit de bekende R.P.L. journaliste Loretta Schrijver, etholoog dr. G. van Putten van
het instituut Dierhouderij en Diergezondheid en aankomend D66 Europarlementariër
Bob van den Bos
Na de varkenspest had de sector het niet gemakkelijk. Door overproductie tengevolge van
het vervoersverbod waren de vleesprijzen gekelderd. Deze twee jonge mensen moesten
zoals zo velen kiezen tussen stoppen of doorgaan. Zij waren tegenstanders van
megabedrijven. Maar ook aan het houden van scharrelvarkens zaten volgens hen veel
haken en ogen. Uiteindelijk werd gekozen voor een in hun ogen diervriendelijke
tussenvorm: stro, licht en ruimte. De investeringskosten bleken relatief laag, maar ze
werden geconfronteerd met hoge arbeidskosten. Om toch tot een aanvaardbaar financieel
resultaat te komen besloten zij het vlees na de slacht als ingevroren pakketten aan
particulieren te verkopen. Door het wegvallen van de tussenhandel dachten zij de prijzen
concurrerend te kunnen houden.
Een foto bij het artikel waarop twee enthousiaste en blije mensen onze sympathie
opwekken maakten het voor mij moeilijk met hen contact op te nemen. Hoe zou het met
hen zijn gesteld en zouden ze na vier jaar nog steeds blij zijn met het toen door hen
genomen besluit? Maar al schrijvende aan mijn artikel moest ik toch inzicht krijgen in
het wel en wee van deze bedrijven en de mogelijkheden zoals die verwacht worden voor
de toekomst. Dit, ook gezien in het licht van de huidige ontwikkeling die de agrarische
De Toren van Babel
14
sector doormaakt. Tijdens het telefonisch gesprek dat ik met hen mocht hebben werd mij
duidelijk dat er plannen waren de varkenstak op hun bedrijf af te stoten. Ze dachten er
over hun melkvee en akkerland onder te brengen bij de ecologische sector, maar ze waren
zich daarbij wel bewust zich te bevinden op een gevaarlijk knooppunt van wegen, vooral
nu blijkt hoe een groot deel van de ecologische melk bij gebrek aan consumtieve
belangstelling verdwijnt in het reguliere circuit.
Interview Oostbrabantse varkenshouder
Na dit wat trieste verhaal, een interview met een Oostbrabantse varkenshouder,
afgenomen door John Miltenburg van het Brabants Dagblad, gepubliceerd op 22 Jan.
1999: Hierin wordt gesteld dat biologisch varkens houden een alternatief kan zijn voor
kleine varkensbedrijven: De betreffende varkenshouder die al twee jaar op zijn biologisch
bedrijf pionierde, vindt dat hij niet groot hoeft te worden. Zoals hij het doet lijkt hem een
redelijk inkomen haalbaar. Van een traditionele wijze van werken met 150 zeugen
schakelde hij over op een biologisch bedrijf met 77 zeugen. Volgens hem moest alles
dierwaardiger worden. “Meer ruimte, licht, lucht en verplicht stro in de hokken. Op vier
hectare grasland kunnen de varkens wroeten en zelf hun ruwvoer zoeken”. Hij heeft zes
hectare mais om het biologisch menu aan te vullen. De stichting “Geïntegreerde
Landbouw” in Gemert zocht twee bedrijven die gedurende drie jaar in de Peel-regio als
demonstratiebedrijf wilden optreden voor collega varkenshouders, beleidsmakers en
consumenten. De overheid steunde het project. Onze man was geïnteresseerd omdat hij
het belangrijk vond naar buiten uit te dragen wat ecologische landbouw betekent en om te
laten zien wat technisch en economisch haalbaar is. Maar vooral ook om consumenten
het belang van de ecologische werkwijze duidelijk te maken. “Die moeten dan ook iedere
dag kunnen binnenlopen”. Winkelend in de supermarkt moet de klant kunnen zien van
welke varkenshouder zijn karbonade voortkomt. “Zodat hij kan nagaan hoe zijn varkentje
is gewassen”! (noot schrijver) De stichting Biologica, Boerenorganisatie L.T.O., de
productschappen Vee, Vlees en Eieren, de stichting Natuur en Milieu, enkele slachterijen
en de Rabobank meenden dat, hoewel de biologische varkenshouderij toen nog klein van
omvang was, die vijf jaar later zou zijn uitgegroeid tot een omvang van 470.000 dieren.
Volgens Miltenburg een “ambitieus plan dat aangeeft hoe de biologische varkenshouderij
uit de sfeer van de geitenwollen sokken begint te komen”. Dierenwelzijn staat voorop.
Maar ook het menu van de varkens op het ecologisch bedrijf onderscheid zich van dat van
de regulier gehouden varkens. Het krachtvoer mag slechts 80 procent uit maken van het
gehele rantsoen; de resterende 20 procent bestaat uit gras, mais en stro. De vaste mest is
naar de mening van deze varkenshouder een “hartstikke interessant product”, dat
misschien wel net zoveel opbrengt als de varkens. Het verschil in prijs, zijnde anderhalve
euro per kilo, moet het meerdere werk in de stallen en de hogere voerkosten goed maken.
Ook hier had ik, vier jaar later, een telefonisch gesprek, in dit geval met de vrouw des
huizes. Tijdens het gesprek werd mij overigens al spoedig duidelijk dat het niet alleen de
huiselijke besognes waren die haar bezig hielden. Zij maakte mij duidelijk dat het, meer
dan geld, hun ideaal was zich in te zetten voor een diervriendelijke wijze van vlees
produceren. Ook het feit dat zij als veehouder veel waardering krijgen van burger
consumenten, die niet alleen vinden dat dit de enig aanvaardbare manier is om dieren te
houden, maar ook dat het vlees smakelijker is, is voor hen een aanmoediging op deze weg
voort te gaan. De consumenten hebben graag een hogere prijs over voor een lekkere
karbonade van op deze wijze gehouden dieren! Zij vertelde mij dat ze tot op heden niet al
te veel tegenslag hadden voor wat betreft ziekten en plagen. Wel moet er op worden
toegezien dat de varkens regelmatig worden ontwormd en een bepaald soort
J.A.M. Beijer
15
longprobleem baarde hun zorg; dit temeer omdat niet duidelijk is waardoor de ziekte
wordt veroorzaakt. Op mijn vraag of zij, gezien de kleinschalige en daarbij
arbeidsintensieve werkwijze, het voor mogelijk houdt dit systeem toe te passen op de
gehele sector, was haar antwoord een volmondig neen. Zij was het ook met mij eens dat
gezien het feit dat nog maar een zeer klein percentage van de mensheid agrarisch actief
is, grootschalige wijze van produceren zal moeten worden aanvaart en dat ecologisch
produceren een marginale aangelegenheid zal blijven. Zij begrijpt ook dat stro niet
voorradig is voor al onze varkens, koeien en pluimvee, laat staan de benodigde hectaren
grond. Adviseren om van regulier over te schakelen op ecologisch durft zij dan ook niet
aan. Haar mening is dat dit alleen verantwoord is wanneer het ideaal van diervriendelijk
produceren, zoals zij dit ziet, iemand drijft. Voor het financieel gewin kun je er maar
beter niet aan beginnen. Het verplichte ecologisch voer en stro is schaars en ontzettend
duur. Dit alles terwijl het prijsverschil van het ecologisch product t.o.v. het reguliere nog
slechts 85 eurocent per kilo bedraagt en bovendien de afzet heel moeizaam lijkt te
verlopen.
Een artikel “Vivaldi scoort goed bij varkens” gepubliceerd op 4 Dec. 2003, leert ons hoe de
Oost Brabantse varkenshouder een “orkest voor varkens” organiseerde. De vraag die zich
hier bij aandient luidt: Was onze man overtuigt dat varkens over een zodanige
intelligentie beschikken dat zij geëmotioneerd zouden geraken, luisterend naar de tonen
van de muziek, of was het de bedoeling het “dynamisch biologische” product te
promoten? De feiten waren dat dierenactivisten, in de mening verkerende dat
intelligentie bij varkens uitsteekt ver boven dat van de chimpansee, de geleerden van de
landbouwhogeschool te Wageningen bereid hadden gevonden onderzoek te doen naar de
door hen vastgestelde intelligentie. (Zie Tenslotte) Terzelfder tijd bleken de supermarkten
de door hen gecontracteerde dynamisch biologische varkenshouders middels subsidie te
verleiden terug te keren naar de reguliere (moderne) wijze van varkens houden. Dit
omdat voor het duurdere product geen belangstelling blijkt te bestaan. Zo moest ook het
door hen verwachtte aantal van 470.000 dynamisch biologisch gehouden varkens worden
bijgesteld naar het werkelijke aantal van slechts 80.000. Gezien de interesse van de
consument, blijken ook deze 80.000 te veel van het goede. Maar hoe dan ook; Vivaldi
scoorde niet. De varkens verorberden tijdens de uitvoering zijn partituur. Het
intelligentieonderzoek heeft tot op heden niets opgeleverd. Maar duidelijk lijkt dat, wil
men deze vorm van produceren bevestigen, aan promoting van het product niet valt te
ontkomen.
Nog een varkenshouder
Een gesprek met nog een gewezen biologische varkenshouder maakte mij het volgende
duidelijk: Tot voor kort (dit artikel wordt geschreven in het jaar 2003) waren er volgens
hem in Nederland rond 35 biologische varkensbedrijven met een jaarlijkse omzet van
30.000 vleesvarkens.Tegelijkertijd waren er ongeveer 150 scharrelbedrijven. Van deze 150
zijn een groot deel opgehouden met varkens houden. Een klein aantal er van is
overgegaan op biologisch. Slechts een twintigtal bedrijven houden zich nog daadwerkelijk
bezig met het produceren van scharrelvlees. Naar de mening van deze varkenshouder is
de omzet van biologisch gehouden vleesvarkens op het ogenblik niet groter dan 50.000 op
jaarbasis. Blijkbaar laat de consument, dit mede door de krimpende economie, het
product in de schappen liggen. Dit alles staat wel in schril contrast met de utopistische
verwachtingen, dat de biologische varkensstapel in 2004 zou zijn uitgegroeid tot een
omvang van 470.000 stuks.
Dat een groot aantal scharrelbedrijven is opgehouden of overgegaan op biologisch vindt
De Toren van Babel
16
zijn oorzaak vooral hierin dat de garantieprijs voor scharrelvlees lager is dan het
biologische en meer ligt in de richting van het gangbare. Dit prijsverschil is omdat het de
scharrelvarkenshouder is toegestaan onkruidbestrijdingsmiddelen en kunstmest te
gebruiken voor de gewassen, bestemd voor zijn varkens. Dat de malaise voor beide wijzen
van houden geld heeft als achtergrond dat in feite de garantieprijs voor beiden te laag is,
dit vooral nu er nog eens 20 eurocent per kilo is afgedaan.. Ook het aantal dieren dat door
een man kan worden verzorgd is te klein. Onze man voerde een bedrijf omvattende 50
fokzeugen met de daarbij horende biggen en opgroeiende vleesvarkens; een z.g.n.
gesloten bedrijf. Dit betekende voor hem een volledige dagtaak. Het z.g.n. ecologisch voer
kost bijna twee maal de prijs van het gangbare en is te eenzijdig van samenstelling. Het
bevat te weinig mineralen en eiwitten en de groei is volgens mijn zegsman dan ook
allerbelabberdst. Er was een goede veterinaire begeleiding maar hij had desondanks te
kampen met velerlei ziektes, o.a. longproblemen en parasitaire aandoeningen. Verder is
de uitval van biggen, vooral tengevolge van doodliggen 15 procent hoger dan die bij
moderne bedrijven. Hij meent ook dat de mensen en instellingen die dit alles aansturen
over het algemeen te weinig kennis van zaken hebben.
Pesticiden nauwelijks gevaarlijk
Naast een artikel “Pesticiden nauwelijks gevaarlijk”, waarin de stichting Heidelberg
Appeal Nederland (HAN) concludeert dat bestrijdingsmiddelen in de landbouw een
verwaarloosbare invloed op de volksgezondheid hebben en dat zij juist indirect positief
bijdragen aan onze gezondheid doordat zij de kostprijs van groenten en fruit laag
houden, volgt hier een artikel betreffende een debat in de Tweede Kamer, het werd
gepubliceerd in Brabants Dagblad 26 Jan. 2001: Tijdens dit debat, handelend over de
biologische landbouw, stelt landbouwminister Brinkhorst, dat een onderzoek naar de
veiligheid van landbouwproducten uitwijst dat biologische groenten en fruit niet
gezonder blijken. Soms zijn ze zelfs minder gezond. Kamerlid Ter Veer sprak van het
“dogma” dat biologische landbouw ons zou vrijwaren van ziektes en plagen. En, zegt
hij:”Dat is dus niet zo”. Brinkhorst zegt ook dat er geen enkele aanwijzing bestaat dat
biologisch gehouden vee minder last zou hebben van ziektes als B.S.E. of varkenspest. De
Tweede Kamer, de wellicht door milieugroepen beïnvloedde politiek, eist dat de
overgangsregeling wordt in stand gehouden voor “gewone” boeren die willen overstappen
op biologische landbouw. De minister wil deze regeling in 2002 beëindigen. Volgens hem
is dan “het ‘vliegwiel’ van de biologische teelt voldoende op gang gekomen”. De Kamer
was het hier niet mee eens, die wil de regeling, nu alleen voor de akkerbouw, zelfs
uitbreiden naar veehouders en fruitkwekers. Dan, tijdens een vergadering van de
dierenbescherming, (Brabants Dagblad Dec. 1999) vraagt Brinkhorst zich af of het
houden van dieren ten behoeve van onze vleesvoorziening nog wel noodzakelijk is.
“Rechtvaardigt onze eiwitbehoefte het houden van dieren als er alternatieven voorhanden
zijn”? Wanneer hij dan tijdens de varkenspest voorstelt flats voor varkens en pluimvee te
plaatsen op industrieterreinen is, mij althans, niet meer duidelijk wat deze minister
eigenlijk wil. We zullen hem in elk geval moeten nageven dat hij blijk geeft te beschikken
over een grote mate van flexibiliteit.
Biologische boeren en tuinders
Biologische boeren en tuinders, maar ook zij die deze trend aansturen, gaan er ondanks
de vele tegenwerpingen, ook en vooral van wetenschappelijke zijde, prat op voorloper te
zijn in een ontwikkeling die naar hun mening de gehele agrarische sector zou moeten
omvatten. Veehouders die bij toeval in de mogelijkheid verkeren op natuurgebieden hun
J.A.M. Beijer
17
vee in te scharen, maar ook tuinders die de mogelijkheid hebben goedkope
arbeidskrachten aan te trekken, zoals oude van dagen en gehandicapten, zoeken vaak de
publiciteit. Die wordt hun door de media maar al te graag aangeboden om vervolgens
deze pioniers als voorbeeld te stellen ten overstaan van hen die om overigens goede
redenen zich verre wensen te houden van werkwijzen die niet bij deze tijd horen en op
grote schaal toegepast, gedoemd zijn te mislukken.
Varkens, kippen en koeien in het stro. Maar waar denkt men dan het benodigde stro te
halen voor onze zestig miljoen stuks pluimvee, vijftien miljoen varkens en plus minus
vijf miljoen runderen? Waar vinden veehouders die nu hun dure grond trachten rendabel
te maken door middel van intensive bedrijfsvoering, door natuurbeheer aangeboden
gronden? En terwijl de milieubeweging het er over eens is dat onze gronden nu al een te
grote veebezetting hebben, houden zij vol dat ook de varkens en kippen thuis horen in
het vrije veld. Dit te realseren betekent dan wel dat de gehele dierlijke veredelingssector
zal moeten worden gedecimeerd. Ja en ook dan zal alleen grootschalige aanpak het
mogelijk maken te kunnen concurreren op de vrije markt. Hierbij dient te worden
opgemerkt dat in andere landen binnen de Europese gemeenschap, waar nog kan worden
beschikt over goede en goedkope grond en waar landarbeid nog niet als minderwaardig
wordt gezien een extensieve wijze van veehouderij en ook z.g.n. ecologische land en
tuinbouw meer voor de handliggend zou zijn. Overigens; op de grote en intensieve
varkensbedrijven, o.a. in een land als Canada, waar beschikbaarheid van grond geen
probleem vormt, wordt de zelfde huisvesting toegepast zoals wij die kennen op onze
moderne bedrijven.
Onderzoeker T.U. Eindhoven
Onderzoeker van TU Eindhoven wijst op ingrijpende gevolgen van internationale
concurrentie, onder de titel “Varkensboeren kunnen niet op tegen buitenland”. Zie
Brabants Dagblad 6 Mrt-1998. Volgens hem levert Nederland, als zijnde in een zeer
kwetsbare positie wegens grootschalige en intensieve veehouderij in een dichtbevolkt
land, een verloren strijd. Hij stelt als voorbeeld de varkenshouderij in Denemarken waar
een varkensbedrijf beschikt over grote oppervlakten goedkope grond. Dat brengt lagere
kosten voor de afzet van mest en lagere milieukosten met zich mee. Zo zal wegens het
daar grondgebonden produceren op goedkope grond een geduchte concurrentie, ook voor
onze ecologische varkenshouder, het gevolg zijn. Hij stelt ook dat onze voorsprong, voor
wat betreft kennis, snel achterhaald zal blijken. Verder meent de onderzoeker dat op onze
dure grond in Nederland alleen toekomst zal zijn voor varkensbedrijven die een hoog
kwaliteitsproduct kunnen leveren op grondgebonden bedrijven. Wij zouden naar zijn
mening ook gebruik kunnen maken van onze agrarische kennis; dit bijvoorbeeld voor de
productie van fokmateriaal voor andere landen. Maar gezien zijn opvatting dat onze
voorsprong van kennis slechts van tijdelijke aard is, lijkt mij ook deze optie geen
structurele oplossing te bieden.
Wat betreft het bezwaar t.a.v. intensieve veehouderij in een dichtbevolkt land wil ik toch
opmerken dat juist een dichtbevolkt land, wil het als zodanig overleven, is aangewezen op
een zware industriële bezetting, waarbij ook agrarische productie niet bij voorbaat moet
worden uitgesloten. Naast de lusten zijn er onherroepelijk de lasten, waarvan het
gigantisch gesleep met goederen en grondstoffen er een is. En ook de bezwaren t.a.v. de
bioindustrie spelen hier in mee. Echter, willen wij onze vlees en zuivelindustrie
behouden, dan vraagt de mestproblematiek om een structurele oplossing. Dit moet toch
mogelijk zijn door de minerale asbestanddelen uit de in het buitenland aangekochte
De Toren van Babel

grondstoffen voor veevoer terug te voeren. De onenigheid over het verbranden van
pluimveemest voor het opwekken van elektriciteit toont echter aan, hoe onwilligheid
vanuit milieukringen deze voor de hand liggende oplossing voor als nog af houdt. Dit
terwijl het enthousiasme hier over bij anderen, die in ernst willen bouwen aan een
duurzame toekomst, juist aantoont dat verbranden van dierlijke mest serieus mag
worden genomen. Dit neemt niet weg echter, dat wanneer de maatschappelijke bezwaren
en verslechtering van de concurrentiepositie het voordeliger maken agrarische producten
uit het buitenland aan te kopen, het voor de handliggend is dat deze tak van productiviteit
zal verdwijnen. Dat dit zal leiden tot het accepteren van minder welvaart, tenzij
vervangende productiviteit voorhanden is, mag duidelijk zijn.
Eenderde boeren weg uit landbouw
Eenderde van de boeren moeten weg uit de landbouw. Dat lezen we in een ander artikel,
juli 2003. Ook geplaatst in het Brabants Dagblad. Hierin wordt gesteld dat anno 2012 het
aantal Nederlandse landbouwbedrijven gedaald zal zijn van 59000 nu, naar 40000
bedrijven in dat jaar. Vooral de melkveebedrijven zullen het in de komende jaren zwaar
krijgen te verduren omdat de gegarandeerde minimum melkprijs 25 procent lager zal
uitvallen. Hoewel de melkveehouders kunnen rekenen op inkomenssteun zal hun
inkomen volgens het Landbouw Economisch instituut, het L.E.I. worden gehalveerd. De
bedrijven zullen efficiënter moeten gaan werken, willen zij overleven. Volgens L.E.I.
onderzoeker de Bont zullen er van de 28000 bedrijven nu, slechts 15000 over zijn in 2012.
Hieruit kunnen we concluderen dat het garantieprijzen waren die onze melkveestapel
hielpen opbouwen en dat het die zelfde garantieprijzen zijn die er voor hebben gezorgd
dat boterbergen en melkmeren de belastingbetaler tot wanhoop bracht. Dat als reactie
hierop quotering van de hoeveelheid te garanderen melk werd ingevoerd, waardoor in
feite de melkveehouder in een monopoliepositie werd geplaatst en nu de consument het
gelag betaald wegens een hogere prijs voor de melk is duidelijk.
Maar hoe en waardoor zijn deze garantieprijzen ontstaan? Hiervoor moeten we teruggaan
naar de tijd van na de hongerjaren tijdens de tweede wereldoorlog. Men ging er vanuit dat
de Europese voedselvoorziening moest worden veilig gesteld. Grootschalige en efficiënt
werkende bedrijven die, ook t.o.v. van de wereldmarkt, concurrerend zouden kunnen
produceren moesten dit streven realiseren. Hiertoe werden garantieprijzen voor
akkerbouwers en melkveehouders ingevoerd. Maar wanneer via een beleid van
aanmoediging bedrijven niet alleen in omvang, maar vooral in aantal uitgroeien tot ver
voorbij de maatschappelijk onbetaalbaar geworden berg van niet te plaatsen producten,
bewerkstelligd dat een andere ontwikkeling dan wanneer concurrentie noopt tot
schaalvergroting. De oplossing werd gezocht in quotering van toeslag met als gevolg dat,
zeker voor wat betreft de melkveehouderij, de maatschappelijk financiele druk, sinds de
quotering van melk omgezet in een hogere melkprijs, bij het ingaan van de vrije markt
zijn evenknie zal vinden in de financiële druk, vooral daar waar grond en quota werd
aangekocht tegen prijzen, gebaseerd op de in het vooruitzicht gestelde toeslagen en de te
verwachte prijzen wegens quotering van productie. En mocht quotering van melk tot het
verleden gaan behoren, met als gevolg dat alleen grote en efficient werkende bedrijven
levensvatbaar zullen blijken bij een lagere melkprijs; hoe zullen dan de op ecologische
basis gevoerde bedrijven, die bovendien meestal kleinschaliger van opzet zijn, zich
kunnen handhaven? Dit terwijl blijkt dat een groot deel van de aldus geproduceerde melk
bij gebrek aan afzetmogelijkheid in het reguliere circuit verdwijnt.
J.A.M. Beijer
19
Ruilverkaveling Meierij
“Ruilverkaveling ontwatert Meierij”. Brabants Dagblad. 5 juli 2003. “De ruilverkaveling
Sint Oedenrode geeft een forse impuls aan de ontwatering van het Meierijse
cultuurlandschap. En dit terwijl de overheid het project stimuleert door er aan mee te
betalen”. Deze ontwatering wordt mogelijk gemaakt door verleende ontheffingen van het
waterschap De Dommel dat volgens schrijver van het artikel verzuimd heeft het
gezamenlijk effect van de afzonderlijke drainages op de grondwaterstand te onderzoeken.
Ook de invloed op beschermd natuurgebied is volgens hem niet bekend. Drainages
worden gesubsidieerd als zogeheten kavelverbeteringswerken.Volgens schrijver
compenseert drainage het verlies aan afwatering tengevolge van het dempen van sloten
en greppels. Volgens het waterschap is het verdrogingeffect tengevolge hiervan nihil. De
natuur en milieubeweging zijn echter bevreesd dat deze aanpak ten koste zal gaan van de
weidevogelstand omdat gronden die tot nu toe als weiland werden beheerd, nu gebruikt
zullen gaan worden voor akkerbouw en boomteelt. Volgens hen is bovendien het
dichtgooien van sloten en greppels een teken van schaalvergroting waarmee deze
ruilverkaveling het kleinschalige cultuurlandschap van de Meierij beschadigt. De
Brabantse Milieufederatie (B.M.F.) vindt dat het waterschap samen met de provincie deze
zaak eens wetenschappelijk moet gaan aanpakken. Maar volgens een milieugedeputeerde
van de provincie zijn in het ruilverkavelinggebied modellen ontwikkeld om het effect van
drainage te berekenen.
Uit dit artikel valt allereerst op hoe overheid en semioverheid geconfronteerd met de
milieubeweging, toch in de wetenschap verkerend dat alleen een gezond en aan de
moderne tijd aangepaste landbouw levensvatbaar is, het gezonde verstand trachten te
laten prevaleren boven een Meiereise kleinschaligheid. De bezwaren van milieuzijde zijn
o.a. dat via bodemdrainage regenwater versneld wordt afgevoerd en niet meer doordringt
tot het bodemwater. Het aldus gedraineerde water wordt via het bestaande stelsel van
diepe watergangen afgevoerd. Hierdoor zal aldus B.M.F. de verdroging van
landbouwgrond en natuurgebied worden versterkt. Boeren kunnen in het voorjaar
weliswaar eerder op het land met hun zware machines; maar, zeggen zij, “deze
gedraineerde akkers zullen bij warm weer in hoog tempo verdrogen”. Wat dit laatste
betreft; elke landbouwkundige zal beamen dat integendeel niet verdroging het gevolg zal
zijn van een goede ontwatering maar dat de gewassen op deze gronden juist minder snel
zullen verdrogen. Dit omdat bij een diepe ontwatering in de winter wordt voorkomen dat
de bouwvoor dicht slempt, wat de capillaire opstijging van water in de zomer ten goede
komt. Maar ook zullen bij een gebrekkige afwatering voor cultuurplanten giftige stoffen
ontstaan, doordat bij gebrek aan zuurstof deze bacterieel onttrokken wordt aan
bijvoorbeeld ijzer en zwavelverbindingen. Hierdoor zal de beworteling van gewassen naar
diepere lagen worden tegengehouden. Ook de verslechterde structuur die van dit alles het
gevolg is zal hieraan bijdragen. Bij omliggende natuurgebieden, wanneer deze in open
verbinding staan met agrarische gebieden en wanneer het hierbij de bedoeling is dat de
vegetatie overwegend bestaat uit waterplanten, is het duidelijk dat hier een andere
waterhuishouding zal moeten worden aangehouden.
Wat betreft de vrees van de milieuorganisatie dat via bodemdrainage regenwater versneld
wordt afgevoerd, meen ik te mogen stellen dat bij goede doorlatendheid, en die ontstaat
juist mede door een regelmatige en diepe ontwatering, de grond het voor de bouwvoor
overtollige water tot op grote diepte doorlaat. Zowel de capillaire werking in de zomer,
alswel de doorlatendheid richting grondwater verbetert bij een regelmatige en diepe
ontwatering. Pas bij verzadiging zal de ingebrachte drainage functioneel worden. Alleen
De Toren van Babel
20
op gronden met bijvoorbeeld ondoorlatende lagen, zal bij het wegvallen van de
oorspronkelijke waterafvoer, juist dank zij drainage, de afvoer verslechteren. Dit tenzij
waterdoorlatend materiaal boven de drainage wordt aangebracht. En verder; wat betreft
het grondwaterpeil, mogen we ons afvragen of het structureel gezien juist is dat
ontwatering zou leiden tot verlaging van het grondwaterpeil. Zoals de laagste stand van de
in zee uitstromende rivier wordt bepaald door de hoogte van de zeespiegel, zo wordt met
inachtneming van na-ijleffecten na langdurige regenval of na langdurige droogte, ook de
laagste grondwaterstand indirect hierdoor bepaald. Ook de voorspellingen betreffende de
hoogte van de zeespiegel maken niet aannemelijk dat we ons echt zorgen moeten maken
over het grondwaterpeil.
De toren van Babel
“De toren van Babel”. Een artikel waarvan ik zou willen dat het mag leiden tot meer
kritiek t.a. v. gevestigde overtuigingen. Overtuigingen die vaak niet berusten op
onderbouwde argumenten voortkomende uit navorsing en onderzoek, maar in tegendeel
vaak de neerslag blijken van een trend, ontstaan in en aangestuurd door een
maatschappelijke stroming waarvan de bron veeleer moet worden gezocht in arrogantie
en machtsmisbruik dan in een objectieve benadering van feiten. Vooral een aantal hierna
te noemen artikelen, gepubliceerd tussen juli 1998 en Aug. 2003 in Brabants Dagblad,
vormde de aanleiding tot het schrijven er van. Het waren achtereenvolgens: “De meeste
kippen kunnen niet van de oude dag genieten”, “Nederland moet binnen vijf jaar weer
kipvriendelijk zijn”. “Vrijlating nertsen opgeëist”, “Dierenactivisten steeds
gewelddadiger”, “Moord op milieuambtenaar Van de Werken in 1996”, “Moord op
Fortuyn wellicht geen eenmansactie”, “Greenpeace breekt met advocate Böhler”, “Eerst
het ei, dan de varkenskarbonade”, “Supermarkten halen eieren van legbatterijen uit de
schappen” en “Legbatterijeieren ook uit horeca-eten”.
Genieten van hun ouwe dag
“Niet van hun oude dag genieten en het product kip verdient meer respect”. Daarmee
opent het pleidooi van Mariette laugeman voor een beter bestaan van onze kippen. In een
oude wijk van Tilburg lopen vier kippen en een haan. Hoe kan het nog mooier? Deze
kippen, het zijn krielkippen; (small is beautifull) hebben een gemiddelde leeftijd van tien
jaar. “En hoewel ze hun beste tijd hebben gehad wat betreft het eieren leggen, ze genieten
nog van het leven. Ze hebben de ruimte in een afgescheiden stuk van de tuin. Ze krijgen
dagelijks vers water en voer. Het schelpenzand waarin ze scharrelen wordt wekelijks
gezeefd. Iedere drie maanden krijgen ze een wormkuur”. Het gezin De Booi geniet van
de vrolijke dieren die dagelijks een paar vreugdesprongetjes maken als ze de bazin zien.
Hierbij is duidelijk dat het gezin De Booi geniet van hun kippen. Wat voor mij niet zo
duidelijk is, is of deze kippen inderdaad een beter leven hebben dan die gehouden
worden op de batterij. Zo heeft een dierenarts uit de omgeving van Deventer, die
onderzoek doet naar ziektes bij pluimvee, mij verzekerd dat praktisch alleen dode en
zieke dieren van loslopend of op strooisel gehouden pluimvee voor onderzoek worden
aangeboden. Maar des alniettemin gaat Laugeman verder met haar tirade tegen de bioindustrie.
Volgens haar is de tegenstelling met kippen op de legbatterij wel erg groot. “Ze
hebben het ronduit slecht”. Zij beweert dat deze kippen de hele dag met pijnlijke en
kapotte voeten op een gazen bodem zitten en “terwijl er een mooi ei gelegd wordt krijgen
ze zelfs geen kans er naar te kijken, laat staan er op te gaan zitten”. Zo maakt zij ons ook
duidelijk hoe deze kip van elke tien dagen minstens negen eieren legt. Maar begrijpt deze
J.A.M. Beijer
21
mevrouw dan niet dat alleen kippen die in een zeer gezonde conditie verkeren in staat
zijn tot een dergelijke prestatie? Nee mevrouw, deze kippen hebben geen pijnlijke voeten,
zij hoeven geen wormkuur en hebben geen last van coccidien. Daarvoor hoeft, dit in
tegenstelling met loslopend pluimvee, zelfs geen anticocsmiddel aan het voer te worden
toegevoegd. Mevrouw Laugeman is overigens niet gespeend van humor. Zo leert zij ons
dat het Engelse woord clutch staat voor broedsel en groep. Misschien, zegt zij, kan een
kip niet meer leggen als hij de kluts (clutch) kwijt is. Zij begrijpt dan ook niet dat een
batterijkip toch maar doorgaat met het leggen van eieren. Het antwoord hierop zou
kunnen zijn dat de rust groter wordt naarmate de groep waarin de hen zich bevindt
geringer van omvang is. Dat zou een ander voordeel van het batterijsysteem kunnen zijn.
En bovendien moeten we ons realiseren dat serieuze pikkerij onder grote koppels
scharrelkippen een ernstig probleem kan opleveren. Aan het kappen van snavels bij
loslopende hennen valt dan ook niet te ontkomen!
Maar ook de braadkippen-industrie moet het bij haar ontgelden: “Het slachtkuiken mag
maar zes weken leven en in die tijd lopen ze bij gebrek aan ruimte elkaar ondersteboven”.
Verder beweert ze dat als gevolg van de explosieve groei (tot ongeveer twee kilo in zes
weken) en de slechte gezondheidssituatie, veel dieren sterven voordat ze hun
streefgewicht hebben gehaald. Maar een explosieve groei bij een slechte
gezondheidssituatie, kan dat? Zij vindt de scharrelkippen en die op de biologischdynamische
boerderij bofkonten onder de kippen. Vooral hun gezondheid is veel beter
meent zij. En dat menen wij dus niet! Zij vindt het verbazingwekkend dat de prijs van een
zo waardevol onderdeel van onze voeding tegenover zoveel andere producten zo weinig is
gestegen. Maar dat is nu juist de verdienste van het batterijsysteem mevrouw. Hierdoor
zijn de arbeidskosten per ei verwaarloosbaar klein geworden!
Mariette Laugeman heeft een dierenartspraktijk in de stad Tilburg. Ze houdt zich
hoofdzakelijk bezig met het behandelen van hobbymatig gehouden kleinvee.
Dierenbescherming en Natuur en Milieu
Volgens Dierenbescherming en Natuur Milieu, moet Nederland binnen vijf jaar weer
kipvriendelijk zijn. Dit lezen we in een krantenartikel van 15 juli 1998. Zelfs een zitstok is
de kip niet gegund, schrijven zij. “Maar er is hoop voor de legkip”. Als het aan de
dierenbescherming ligt wordt de scharrelkip binnen vijf jaar gemeengoed. We leven nu
anno 2003 en vandaag zouden er dus dertig miljoen scharrelkippen worden gehouden.
Ook de vleeskippen behoeven meer vrijheid. In een rapport eisen zij dat de kip drie keer
zoveel ruimte zal worden gegeven. “Zo heeft ze ook recht op de meest elementaire
voorzieningen: een zitstok, een legnest, strooisel en een stofbad om even lekker te
kunnen uitrusten van het almaar eieren leggen”. Het rapport was bestemd voor de toen
demissionair minister van landbouw. Volgens hen leefde op dat ogenblik tien procent van
de legkippen in een kipvriendelijke stal. “De pluimveesector wil wel meewerken maar
gaat niet zover als de milieu en dierenorganisaties willen” Dat zelfde geldt ook voor de
Europese commissie en het ministerie van Landbouw. Behalve andere problemen is ook
de extra belasting door scharrelkippen t.a.v. het milieu een bezwaar. Dierenbescherming
en Natuur en Milieu willen echter dat de legbatterij binnen vijf jaar is verdwenen, zodat
er alleen nog maar scharrelkippen zijn. Omdat akkerbouwers en varkenshouders steeds
meer vluchten in de kippenhouderij vinden deze organisaties dat er geen
bouwvergunningen meer moeten worden afgegeven. Zij willen een inkrimping van het
pluimveebestand tot zeventig procent. Is dit laatste om de bezwaren van de sector, het
ministerie van Landbouw en die van de Europese commissie te ontzenuwen?
De Toren van Babel
22
Het was in de herfst van 2003, niet lang voor dat de laatste regels van het artikel werden
geschreven, dat we ten gevolge van vogeltrek werden geconfronteerd met een bijzondere
vorm van pluimveegriep. De ziekte bleek zeer besmettelijk. En niet alleen vormde dit
agressief om zich heen grijpend virus een ernstige bedreiging voor het pluimvee. Ook de
mens bleek niet gevrijwaard t.o,v. deze ziekte. In Azië, de bron van de besmetting,
werden veel mensen ziek. Een aantal overleefde het niet. In ons land raakte een
dierenarts besmet en ook die moest het met de dood bekopen. Daar men er vanuit gaat
dat bij loslopend pluimvee de kans op besmetting het grootst is werden pluimveehouders
verplicht hun kippen binnen te houden. Rond de haard van besmette gebieden werden
miljoenen dieren vernietigd. Een complete ramp dus! Van dan af worden de bezwaren
t.a.v. het milieu bij loslopent pluimvee zoals door de minister van landbouw als wel door
de Europese commissie verdedigd, nu ondersteunt door de Aziatische vogelgriep.
Animal Liberation Front
“Het Animal Liberation Front” eiste de vrijlating op van zeven ‘a achtduizend nertsen in
Venhorst.(Aug. 2002). Deze bekendmaking werd bezorgd bij het actieblad Ravage in
Amsterdam. De brief van het A.L.F. samengesteld uit knipletters omvatte slechts acht
woorden: “All cages open! Breedingcards taken. Equipment smashed”. Hiermee eisen zij
dus niet alleen de aanslag op, maar claimen ook grote vernielingen te hebben aangericht
en fokgegevens van nertsen te hebben ontvreemd. Een aanzienlijk deel van de vrijgelaten
nertsen vond de dood in het verkeer. Ook op het onderzoekcentrum Spelderholt in
Beekbergen braken zij in en stalen er fokgegevens. Dan volgt het artikel “Dierenactivisten
steeds gewelddadiger”.
Dit werd gepubliceerd een jaar na het hier voorafgaande: “Na een periode van stilte
sloegen vorige week dierenactivisten toe: Een kippenslachterij in Breukelen ging in
vlammen op. Tientallen ondernemers zijn in de loop der jaren getroffen door
gewelddadige radicalen; nertsen losgelaten, vrachtwagens gesaboteerd, stallen verbrand”.
Is het wonder dat slachtoffers het verschrikkelijk vinden dat de overheid helemaal niets
tegen het geweld lijkt te doen? Een gedupeerde nertsenfokker vertelt hoe hij veel van zijn
duizend “bevrijde” dieren verloor. Ze werden platgereden, dood gebeten, Sommigen
waren nog drachtig ook. “Dat noemen ze dan dierenliefde”, zegt hij. Maar wat zijn bloed
doet koken is dat er helemaal niets gebeurd. “Deze acties zijn aan de orde van de dag en
dat wordt gewoon geaccepteerd. Het lijkt wel of de politiek er achter staat”. Het is zijn
mening en wie zou een andere zijn toegedaan, dat deze actievoerders criminelen en
terroristen zijn, dit terwijl de politie niets doet en rechercheurs worden bedreigd. En
terwijl ze de laatste jaren veel acties hebben gevoerd, de activisten werden nooit gepakt.
Een rechercheteam dat zich structureel bezig houdt met onderzoek naar dierenactivisten
bestaat niet.
Wat hier van te denken? Een overheid en vooral een deel van onze
volksvertegenwoordiging die zich laat leiden en intimideren door terroristen? Een
justitieel apparaat dat het laat afweten omdat het bang is, of nog erger, omdat het zich
opstelt achter deze lieden? Of moeten we vaststellen dat het grote publiek
vanzelfsprekend is gaan vinden dat wat als het meest verfoeilijk zou moeten worden
afgewezen?
J.A.M. Beijer
23
Zaak Fortuyn
Maar dan, in mei 2002 lezen we dat de politie een onderzoek instelt naar het mogelijke
verband tussen de zaak Fortuyn en de moord op de milieuambtenaar in Nunspeet. Vast
staat dat de moordenaar van Fortuyn de ambtenaar kende en dat die naar zijn opvatting te
soepel was in het verstrekken van milieuvergunningen ten behoeve van agrarische
bedrijven. Ook Fortuyn was hem een doorn in het oog omdat die zich niet wenste te
distantiëren van de bio-industrie, en geen bezwaar had tegen het houden van nertsen
voor productie van bont. Verder staat vast dat de moordenaar niet alleen een bekende
dierenactivist was, maar dat hij behoorde tot de milieuorganisatie Greenpeace en dat die
club na deze moord in allerijl afstand heeft genomen van haar voorzitter Böhler; de
advocate van v.d. G. Dit omdat de organisatie in verband gebracht werd met de moord op
Fortuyn. Maar als Greenpeace kon weten dat deze Böhler stamde uit het nest van de Rote
Armee-fraction, is ook dan het verband nog denkbeeldig? En wat te denken als een artikel
in H.P. de Tijd vermeld dat in een door de milieuorganisatie uitgegeven tijdschrift werd
gesuggereerd dat “onorthodox’se” maatregelen zouden moeten leiden tot het monddood
maken van deze politicus? En dan het telefoongesprek tussen twee dierenactivisten,
afgeluisterd door twee van elkaar onafhankelijke instanties van de politie, een gesprek
waarin beiden blijk geven het er over eens te zijn dat Fortuyn moet worden vermoord.
Hoe komt het dat zoveel vragen rond deze moord nog steeds wachten op antwoord? Had
men niet onmiddellijk na de moord zowel het huis van de verdachte alswel de instelling,
het web, van waaruit hij naar veler mening de agrarische wereld terroriseerde, moeten
doorzoeken? Wat was bijvoorbeeld het verband tussen de moord en de taartgooister; de
boezemvriendin van de partner van Van der G.? De taart haar “Judaskus”? Maar hoe dan
ook, het zou goed zijn als onderzoek naar dit verband, naar de suggestie in het tijdschrift
van de milieuorganisatie en het op T.V. genoemde telefoongesprek er toe zou leiden dat
wordt vastgesteld of het hier al dan niet ging om een eenmansactie? De moord op
Fortuyn roept niet alleen vragen op aangaande de mentaliteit van z.g.n. recht voor dieren
activisten en milieuorganisaties en tot welke diepte van misdaad hun fanatisme leidt. Het
roept ook de vraag op of en hoe doortastend justitie optreedt tegen misdadige organisaties
in onze maatschappij.
Terreur leidt niet alleen tot moord en doodslag
Maar tereur leidt niet alleen tot moord en doodslag en is ook niet alleen kenbaar aan
bedreiging en gijzeling. Aanhoudende verkondiging van schijnbare en halve waarheden,
waarbij vooral denkbeelden die appelleren aan het normbesef, de doorsnee burger een
vijandbeeld moeten aanreiken mag wat mij betreft als terreur worden aangemerkt. Zijn
vijand wordt dan bijvoorbeeld het grootwinkelbedrijf, naar de mening van actievoerders
een alleen op geld belust fenomeen. Maar ook die domme en onwillige veehouder die
maar niet wil begrijpen dat zijn dieren een ellendig bestaan leiden, voldoet aan dit beeld.
Het bewerkstelligt dat het vanzelfsprekend wordt dat ook de meest legitieme en op
produceren gerichte handeling als asociaal wordt ervaren. Voor mij ligt het artikel “Eerst
het ei, dan de varkenskarbonade”. Brabants Dagblad zaterdag 3 mei 2003. Het luidt als
volgt: “Lange tijd was het ondenkbaar dat het legbatterij-ei uit de winkelschappen zou
verdwijnen. Maar door acties doelbewust te richten op een onderneming lukte dat. Als
bedrijven zich gecontroleerd weten neemt het maatschappelijk verantwoord ondernemen
toe. Het op andere gedachte brengen van een complete sector middels het voeren van
Company campaigning is met het schrappen van het legbatterij-ei uit de Nederlandse
supermarkten een absoluut novum”. Aldus Mattheus Bleijenberg. En hij gaat verder met
te zeggen dat het hem niet zal verbazen “als consumentenacties in deze vorm de
De Toren van Babel
24
toekomst blijken te hebben en het maatschappelijk krachtenveld belangrijke nieuwe
impulsen zal geven”. Hij beweert dat onder “actiedruk” van Wakker Dier Aldi, Lidl, Dirk
v.d. Broek, Bas v.d. Heijden, Digros, Jan Bruijns, de Plus en Garantmarkt en de Landal
Greenparks met de verkoop van batterijeieren zijn gestopt. Terwijl C1000, Super de Boer,
Konmar en Edah beloofden spoedig te zullen afbouwen.
Maar mijnheer Bleijenberg; op het moment dat ik dit neerschrijf, 26 Aug. 2003, stel ik
vast dat in elk geval Aldi nog steeds batterijeieren verkoopt. Mijn vrouw bracht ze nog
vandaag mee uit die supermarkt. Dus, of u bent een leugenaar, of u bent niet op de
hoogte van feiten, of en dat lijkt mij het meest voor de handliggend, deze beweringen
vormen een onderdeel van uw strategie. Een strategie die berust op de idee van de “self
fulfilling prophesie”. Een psychologisch proces waarbij door aanhoudende propaganda
het winkelbedrijf zich gaat afvragen of de consument gehoor zal geven aan de oproep van
Wakker Dier, geen kooieieren te accepteren. En hoe en hoe gauw zal zijn concurrent daar
dan op inspelen? En hoe zullen behalve de consumenten die al om zijn, ook de anderen
hierop reageren. Deze zullen misschien vrezen voor bijvoorbeeld onderlinge sociale
controle? En ook die wetenschap kan het winkelbedrijf helpen bij zijn besluitvorming.
Maar om hun campagne nog meer kracht bij te zetten, zetten zij de winkelbedrijven
onder druk, om een toch legale en legitieme handel, te stoppen onder bedreiging “dat een
jarenlange campagne zal worden gevoerd met “publieksvriendelijke” acties voor de deur
van de supermarkt”. Dat moet er toe leiden dat ook andere bedrijven de figuurlijke eieren
voor hun geld zullen kiezen. En het wordt pas echt een succes als consumenten zich voor
elkaar zouden schamen de aldus belaagde supermarkt binnen te gaan c.q. met
batterijeieren bij de kassa aan te sluiten. Een strategie die, eens doorzien, bij sommigen
bewondering zal opwekken, bij velen echter verontwaardiging en afschuw. Volgens
Bleijenberg moet de consument worden geholpen in zijn keuze voor een eerlijk en
diervriendelijk product, door de “oneerlijk” geproduceerde eieren niet langer aan te
bieden. “En de consument valt best uit te leggen waarom een ei een soortgelijke prijs als
een appel mag hebben”. Het vooruitzicht dat hun klanten langdurig voorlichting zullen
krijgen over de herkomst van de eieren, zou reden zijn om Wakker Dier tegemoet te
komen. “Zo wil geen supermarkt geassocieerd worden met een legbatterij”. De goede
naam van het bedrijf ook t.o.v. de concurrent staat op het spel. Zij gaan er blijkbaar vanuit
dat de knieën van de marktketen zwak genoeg zijn om aan deze vorm van actie voeren toe
te geven. “Zo werd na elk succes de actie verlegd naar het volgende bedrijf”. Volgens hem
gingen ze aldus een voor een overstag. “Binnen een jaar waren alle grote supermarkten
om en werden daarmee miljoenen kippen een ellendig leven in de bio-industrie
bespaard”. Zij noemen zich maatschappelijke organisaties die het maatschappelijk
verantwoord ondernemen een impuls kunnen geven. Op het einde van dit, naar mijn
overtuiging, weerzinwekkende verhaal stelt hij voor de varkenskarbonade van het
winkelschap te halen en te vervangen door een stukje vlees dat tegen een eerlijke prijs
geproduceerd kan worden. “Zo schakelt de consument geruisloos over”. Aldus
Bleijenberg. “Nederland zal over moeten gaan naar het leveren en consumeren van
kwaliteitsproducten. Het zal niet langer bulkproducent van verborgen dierenleed en
maatschappelijk onrecht moeten zijn. Consumenten en maatschappelijke organisaties
zullen hun taak in het maatschappelijk krachtenveld serieus moeten nemen en hun
tanden laten zien. Vooral ook die tanden zetten in ontwikkelingen die niet meer van deze
tijd zijn”. En dat alles wordt ons voorgezet zonder enigerlei bewijs dat dierenleed inherent
is aan onze moderne veehouderij. Het tegendeel zou wel eens kunnen blijken!
Een artikel dat uitkwam een week na het voorgaande vertelt ons dat “vanaf volgend jaar
vrijwel geen legbatterijeieren meer te vinden zullen zijn in de schappen van de
J.A.M. Beijer
25
supermarkten. Dit na dertig jaar actie voeren tegen de verkoop ervan”. Aldus de stichting
Wakker Dier. Volgens beleidsmedewerker “consument en kwaliteit” M. Jansen van het
Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) laten de Nederlandse supermarkten met
deze stap zien koploper te zijn in maatschappelijk ondernemen t.o.v. collega’s elders in
Europa. “ We merkten dat de consument geen legbatterijeieren meer accepteert.
Scharreleieren zijn duurder, maar de mensen zijn bereid er voor te betalen”. Volgens een
woordvoerder van Wakker Dier hadden Schuitema en Laurus vorig jaar al het aantal
soorten batterijeieren gehalveerd. Ook C1000 heeft aanvullende maatregelen genomen.
De kooieieren worden voortaan onderaan in de schappen geplaatst en de scharreleieren
op ooghoogte. Volgens C1000 halveerde hierdoor de vraag naar legbatterijproducten tot
achttien procent van de totale verkoop van eieren. Maar heeft C1000 Wakker Dier in de
gelegenheid gesteld dit te verifieren aan de hand van de officiële verkoopcijfers, of zijn
supermarkten hopelijk ook wel eens Wakker genoeg om deze heren en dames met een
kluitje het riet in te sturen? .
Legbatterijeieren uit horeca-eten.(Brabants Dagblad 16 Aug. 2003) De horecagroothandels
Sligro, Makro en Lukas Klamer stoppen met de verkoop van legbatterijeieren. Dit als
reactie op een oproep van stichting Wakker Dier. En; “nu de eerste groothandelsbedrijven
omgaan, zullen jaarlijks een miljard batterijeitjes minder worden verkocht”. Aldus
directeur Mattheus Bleijenberg van Wakker Dier. De stichting verwacht dat met de actie
van de horecagroothandel (de actie gaat nu kennelijk uit van het bedrijfsleven zelf!) veel
minder restaurants en eetcafés nog legbatterijeieren zullen verwerken. Jaarlijks worden in
Nederland circa 3 miljard batterijeitjes verwerkt in gerechten, koekjes of cake. Hiervoor
zitten 12 miljoen kippen op legbatterijen. “Door de omschakeling van de supermarkten
zullen er op korte termijn meer dan 4 miljoen kippen van de legbatterij naar
scharrelhuisvesting worden overgeplaatst”. In onze supermarkten worden, aldus Wakker
Dier, jaarlijks 2 miljard eieren verkocht. Voorafgaande aan de start van hun campagne
waren er hiervan in 2002 nog meer dan 1miljard afkomstig uit de legbatterij.
De feiten (1)
1 Informatie, mij toegestuurd door het Productschap voor pluimvee en eieren te
Soesterberg, maakt o.a. duidelijk dat anno 2001 van het in Nederland aanwezige
leghennenbestand, (totale grootte dertig miljoen) negen miljoen hiervan op
z.g.n.alternatieve wijze werden gehouden. Alternatief in dit verband betekent dat de
hennen worden gehouden hetzij als loslopend op strooisel, hetzij in volière stallen. Bij
beide systemen hebben de dieren al of niet de mogelijkheid naar buiten uit te lopen.Voor
het dynamisch biologische systeem geldt voor wat betreft het onderkomen, dat ook
daarbij sprake is van scharrelruimte, terwijl vrije uitloop en ecologisch gewonnen voer als
voorwaarde wordt gesteld. Rond 48 procent van de alternatieve hennen worden gehouden
op strooisel zonder uitloop, 46 procent met uitloop extensief, (1000 hennen per hectare) 3
procent intensief, (4000 hennen per hectare) en ook volièrehennen vertegenwoordigen
slechts 3 procent van het alternatieve geheel. De op dynamisch-ecologische wijze
gehouden hennen omvatte in datzelfde jaar slechts een half procent van het totale
leghennenbestand in Nederland.
2 Naar Europese wetgeving zal het in 2012 verboden zijn leghennen te houden op
legbatterij. Dit zal voor landen als Italie, Spanje en Frankrijk moeilijk zijn te
verwezenlijken omdat daar alternatieve wijze van leghennen houden vrijwel onbekend is.
3 Bij het scharrelsysteem valt op dat ongeveer 3 procent van de leghennen worden
De Toren van Babel
26
“weggepest”. Deze hennen worden niet alleen vaak tot bloedens toe gepikt; ze blijven weg
van het voer, met als gevolg dat niet alleen sprake is van dierenleed, maar dergelijke
hennen komen ook niet toe aan het produceren van eieren.
* Gehouden zijnde aan grootschalige wijze van werken in de veehouderij, lijkt de kern
van het probleem te moeten worden gezocht in het feit dat dieren in het vrije veld niet
voorkomen in aantallen zoals we die kennen in de bio-industrie. Daarom moet, bij het
streven naar diervriendelijke systemen, de oplossing niet zeker worden gezocht in
scharrelstallen die enige duizenden dieren moeten herbergen. Dat dit evenzo geldt bij het
houden van scharrelvarkens lijkt voor de handliggend. Niet alleen de grotere bedreiging
van ziektes en parasitaire plagen, maar ook de meer naar buitenkomende agressiviteit en
dominantie t.o.v. timiditeit in een zich zelf niet herkennende commune, maakt het voor
de handliggend dat bij een niet te vermijden grootschaligheid moet worden uitgezien
naar huisvesting waar, zij het in groot verband, de dieren in kleinere eenheden kunnen
worden gehouden. Uitvoerbare verbeteringen aan bestaande legbatterij, te denken valt
aan z.g.n. scharrelmatten en communenesten, zou wel eens de werkelijke oplossing
kunnen betekenen t.a.v. van de vele bezwaren die de bio-industrie worden aangerekend.
(Noot schrijver)
4 Het percentage alternatief geproduceerde eieren dat door de consument uit de
winkelschappen wordt meegenomen blijkt inderdaad en waarschijnlijk dank zij de
campagnes ‘a la Bleijenberg 50 procent te benaderen. Dit terwijl het aantal
scharrelproducenten terugloopt van 698 anno 1999 naar 440 anno 2001. Vooral de hoge
investeringskosten die aan het houden van scharrelhennen in een modern en arbeid
besparende opzet moeten worden gemaakt lijken tot die ontwikkeling te leiden.
5 Ook de productie van eieren, de voerconversie, uitval en gezondheidszorg blijken
gedurende de legperiode bij legkippen op batterij gunstiger. Uitgaande van een
productieperiode van 400 dagen blijken de witte leghornhennen op batterij 345 eieren te
hebben geproduceerd, de middelzware hennen brengen het in dezelfde periode onder de
zelfde leefomstandigheden tot 315 stuks. Voor de middelzware hennen, gehouden als
scharrel of scharrel met vrije uitloop waren deze cijfers resp. 316 en 304. De
voerconversie bij W.L. hennen op batterij kwam uit op 2,03 en was bij de M.Z hennen
2,09. Bij de hennen op strooisel en bij die met vrije uitloop bleken deze cijfers resp. 2.26
en 2,29. De uitval was met 9% vooral zeer hoog bij hennen met vrije uitloop. Op batterij
en bij scharrelhuisvesting was de uitval voor beiden 7%. De kosten voor gezondheidszorg
op batterij waren 5 euro per honderd hennen. Voor scharrel en vrije uitloop was deze, ook
per honderd hennen, resp. 9 en 11 euro.
6 De hoge uitval bij loslopende hennen schijnt niet alleen te worden veroorzaakt wegens
het oplopen van allerlei besmettingen. Ook het feit dat de hennen na regenbuien opeen
kruipen, waardoor ze niet alleen verbroeien met alle kwalijke gevolgen van dien, maar
bovendien zwakkere dieren hierdoor verstikken, schijnt mede oorzaak te zijn van hogere
sterftecijfers.
7 Bij de dynamischbiologisch gehouden hennen blijkt productie, voerconversie en uitval
nog ongunstiger uit te pakken. De eierproductie was hier slechts 287 bij een
voerconversie van 2,57, terwijl ook de uitval van 12% over de legperiode laat zien dat men
hier verkeerd bezig is.
8 Bij de huisvesting op batterij, uitgaande van 6 etages wordt een bezetting aangehouden
J.A.M. Beijer
27
van 40 hennen per vierkante meter staloppervlakte. Bij scharrelstallen gaat men uit van 9
hennen per vierkante meter en voor volière geldt dat 18 hennen per vierkante meter
staloppervlakte is toegestaan. De consequentie hiervan is dat per vaste arbeidskracht
(V.A.K.) op batterij 50.000 hennen kunnen worden verzorgd. Voor scharrelstallen met
voorziening als automatische eierafvoer komt men uit op 25.000 hennen per V.A.K.
Terwijl in het volièresysteem zonder vrije uitloop 35.000 hennen per V.A.K. worden
verzorgd. Met vrije uitloop zijn dit er slechts 20.000.
De feiten (2)
Van Animal Sciences Group te Wageningen werd mij een uitgebreide literatuurlijst
toegestuurd, waar in voornamelijk verwezen wordt naar onderzoek verband houdende
met het al of niet snavelkappen bij leghennen. Voor meer duidelijkheid op het punt van
ziektes en aandoeningen werd ik verwezen naar een dierenarts rond Deventer die
onderzoek doet naar ziektes bij pluimvee en die ik bereid vond mij hier in te helpen. Een
pluimveehouder die zich niet alleen bezig houdt met het verzamelen van eieren, maar
ook een open oog heeft voor het reilen en zijlen in de sector als geheel, zelf een
volièrebedrijf voert en daarnaast doet aan onderzoek en voorlichting vond ik bereid mij
het een en ander toe te lichten aangaande de punten vermeld in de literatuurlijst. De
meestal vernoemde schrijvers op deze lijst zijn Emous R.A.V. B.F.J. Reuvekamp &
T.C.G.M. v. Fiks van Niekerk. De door hen behandelde en onderzochte onderwerpen
hebben betrekking op de jaren tussen 1999 en 2003.
1 Volop onderzoek aan twee volières; Veel pikkerij bij beide soorten licht.
Pluimveehouderij (31) 51/52: 12-17. De erbij betrokken hennen waren niet gesnavelkapt.
2 Leghennenhouderij: In de toekomst: nog geen oplossing voor onbehandelde snavels.
Pluimveehouderij (30) 19:11. Het antwoord hierop schijnt te zijn “interrumperend
lichtregime”; acht uur donker, dan zestien uur telkens een kwartier licht, gevolgd door
drie kwartier donker. Zodat de hennen in totaal over 24 uur 4 uur licht hebben.
3 Onderzoek volièrehuisvesting; Droog strooisel doet veel stof opwaaien.
Pluimveehouderij ( 32) 7: 12-14 ). Het bezwaar hiervan heeft vooral van doen met het
werkklimaat t.a.v. medewerkers in het bedrijf. Men krijgt dan ook al gauw te doen met de
Arbowet.
4 Krabbewegingen van leghennen in verrijkte kooien met voerpannen en strooiselmat.
(Praktijkonderzoek Pluimveehouderij) (2000) 2: 11-13. Dit lijkt een verbetering, maar de
investeringen worden wel aanzienlijk hoger. Ook de z.g.n. legcommune in grotere kooien
lijkt overweging waard. Op mijn vraag aan de hierboven genoemde pluimveehouder hoe
het komt dat, terwijl wetenschappers zich bezig houden met onderzoek naar betere
voorzieningen op legbatterijen, dit niet wordt overgenomen door de milieubeweging en
Wakker dier, was het antwoord dat deze organisaties zich nu eenmaal hebben
vastgebeten in hun opvatting dat kooien ten eenenmale niet worden geaccepteerd. Zij
hebben gekozen voor scharrelkippen, dit desnoods met alle dieronvriendelijke bezwaren
van dien.
5 Ongekapte scharrelhennen: Proef met graan in strooisel; zeker geen wondermiddel.
Pluimveehouderij (32) 43: 16-17.
6 Inventarisatie volièrebedrijf met uitloop: Veel uitval, weinig buitennesteieren.
De Toren van Babel
28
7. Monitoringsonderzoek op biologische bedrijven; vaker besmet dan batterijbedrijven.
Pluimveehouderij (33) 2: 10-11.
* Het hieraan voorafgaande lijkt overeen te komen met de bevindingen van de door
Animal Science Group aan mij doorgegeven dierenarts. In het artikel “Genieten van hun
ouwe dag”, werd deze door mij al genoemd. Uit zijn onderzoek naar ziektes bij pluimvee
blijkt dat die het meest voorkomen bij de alternatief gehouden leghennen. “Er worden
hoofdzakelijk zieke en dode exemplaren voor onderzoek aangeboden van scharrel en
loslopende hoenders” (Noot schrijver).
Andere feiten.

Een vaag en onbestemd verlangen overvalt me wanneer ik op een mooie zomerdag uitkijk
naar de hoge vlucht van de zwaluw, jagend achter op thermiekgolven hemelwaarts
gedreven insecten. En wie zou hem zijn voorrecht het azuren zwerk met zijn wilde en
dartele vlucht te mogen verkennen misgunnen? Maar zwaluwen, nestelend en broedend
in stallen waar zich, behalve het vee, myriaden van vliegen bevinden, laten zich zelden
zien buiten de door hen gekozen broedruimte. Zij brengen hun dagen door met het
wegvangen van het tegen de stalwand neergestreken banket. Hun verlangen naar het
azuur van de hemel lijkt dan alleen te bestaan in onze hoofden en is wellicht slechts de
neerslag van ons eigen verlangen naar onbegrensde verten.
Maar wat geldt voor de zwaluw is waarschijnlijk ook van toepassing op leghennen;
bijvoorbeeld t.a.v. hun scharrelgedrag. De milieubeweging, Wakker Dier en vele andere
organisaties staan er op dat kippen de gelegenheid moeten hebben te kunnen scharrelen.
Deze bezigheid wordt door hen gezien als een voor kippen levensnoodzakelijk ritueel.
Van zelfsprekend rijst dan de vraag; wat draagt scharrelen bij aan het welzijn van kippen?
Het lijkt een absurde vraag omdat hierop geen zinnig antwoord kan worden gegeven. En
zelfs de vraag of scharrelen een doel dient is niet zonder meer met ja of nee te
beantwoorden. De vraag zou ook eigenlijk moeten luiden of de ontwikkeling van
gedragingen en eigenschappen al of niet is bedoeld, .en waarvoor. Maar alsnog lijken
woorden, als “bedoeling” en “waarvoor”, niet voor te komen in het vocabulaire van de
evolutie.
Echter, parallel met het evolutionair traject over miljarden jaren loopt een andere weg en
wel die, in de berm waarvan het niet weerbare en ondoelmatige wordt geëlimineerd. In
die zin wordt de vraag naar bedoeling wel degelijk relevant. De conclusie in betrekking tot
het scharrelgedrag bij hennen mag dan ook zijn dat, wanneer zij gedreven door honger
en bij afwezigheid van voedsel aan de oppervlakte, overgaan tot scharrelen, hierbij
primair het doel lijkt te zijn hun honger te stillen. Zodra de noodzaak van scharrelen
wordt ondervangen middels het strooien van voeder blijkt dan ook dat de aandrang er toe
vervalt. En zo kan men ook de vraag stellen, of en in hoeverre kippen behoefte hebben
aan zitstokken. Wanneer je een boshoen de vraag zou voorleggen waarom zij bij het
vallen van de avond een plaatsje zoekt in struiken of bomen, zal zij het antwoord er op
schuldig blijven. Dit omdat zij niet op de hoogte is van het feit dat in lang vervlogen
dagen haar verre voorzaten, die niet de gewoonte hadden hetzelfde te doen, dit met hun
leven hebben moeten bekopen. Maar gehuisvest in afgesloten ruimten worden ze niet
overvallen door roofdieren, en wanneer geen zitstokken zijn aangebracht blijkt de
behoefte daaraan ook niet te bestaan. Zodra het donker wordt verzamelen zij zich en
genieten, zoals een koppel patrijzen in het veld, van een goede nachtrust.
J.A.M. Beijer
29
Of dierpsychologen in staat zijn de noodzaak van bepaalde gedragspatronen vast te stellen
weet ik niet. Maar het zou van wijsheid getuigen wanneer bij dergelijk onderzoek zou
worden nagegaan naar welk gezelschap deze wetenschappers hun sympathie uitgaat en
wie de opdrachtgevers waren van het gedane onderzoek. Objectief werkende
wetenschappers zouden moeten nadenken over gedragingen, beleving van tijd en ook hoe
herinnering bij dieren moet worden begrepen. Bijvoorbeeld; hoe en wat is de aansturing
tot agressie bij dominante individuen richting de niet weerbare. En in hoeverre hangt dit
gedrag samen met de omvang van de populatie? Maar ook bij de beleving van tijd, zoals
wij die ervaren, omspoeld met verleden en toekomst, lijkt het aannemelijk dat dieren
slechts leven in het moment nu. Als dit juist is moet dat consequenties hebben voor het
beleven van zaken als pijn, duur van de dag, verlangen naar morgen, verlangen naar
ruimte en wat dies meer zij. Maar ook herinnering lijkt bij dieren anders te moeten
worden verstaan dan zoals wij die kennen bij ons zelf. Ook een dier kan iets heel ergs
overkomen. Maar zodra de pijn weg ebt, lijkt hij het vergeten. Wanneer hij echter tien
jaar later wordt geconfronteerd met de situatie en de omgeving waar het hem overkwam
raakt hij in paniek. Waarschijnlijk niet wetende waarom.
De adepten
Wie zijn zij; de Wakkere Dieren, de Animal Liberators, de Recht voor Dierenactivisten?
Zijn ze wel de grote dierenvrienden die zij zeggen te zijn? Schandelijke
“bevrijdingsacties” doen het tegengestelde vermoeden! Zijn zij verworden tot adepten van
de macht, anarchisten die de wet aan hun laarzen lappen en met leugens en
dreigementen trachten de obscure hersenspinsels van hun goeroe aan ons op te dringen?
Schijnbaar, door de wettige overheid beschermt, lijken zij niet terug te deinzen voor de
meest gruwelijke misdaden.
Een artikel in “the Hoard’s Dairyman”; “This animal rights thing is out to put you out of
business”; geschreven door een gepensioneerde rundvee-inseminator, nodigt mij een
paar in het Nederlands vertaalde citaten hieruit weer te geven: 1 “Maar toen was toen en
nu is nu. Het goed bedoelende is niet meer. De excentriekeling werd activist. De activist
werd expert’. En je kunt het leuk vinden of niet, maar de recht voor dierenbeweging heeft
de oorlog verklaard aan de vlees en zuivelindustrie. Professor Arthur, verbonden aan de
universiteit van Minesota zegt; de recht voor dierenbeweging staat geen compromis toe
en is er op uit een totaal verbod op het gebruik van dieren voor onderzoek, agrarische en
andere “schadelijke” doeleinden door te drukken”. 2 “Geen vlees! En de manier waarop
de nieuwsmedia het hele verhaal de wereld ronddragen, maakt duidelijk dat dit “recht
voor dieren-ding” niet begint en eindigt met een groep vrijwillige konijnenknuffelaars
(bunny huggers) in een dierenreservaat. Alles, behalve! John Froseth van de Washington
state universiteit telt 7000 organisatie’s. Samen goed voor 10 miljoen leden. Hun
jaarlijkse budget loopt op tot 50 miljoen dollar of meer. Hierbij zijn niet geteld de meest
wonderlijke ideeënuitdragende milieu en voedingsgroepen. Je mag het verwelkomen of
niet, de dierenagricultuur ligt onder vuur”.
Het einde van de legbatterij betekent dan ook niet het einde van hun acties. Het
perspectief werd hun al aangereikt door de uitspraak van onze ex-minister van landbouw
Brinkhorst: “Rechtvaardigt onze eiwitbehoefte het houden van dieren als er alternatieven
voorhanden zijn”?
De Toren van Babel
30
Wereld vraagt om voedsel
Het hier volgende is een onderdeel uit een door mij geschreven artikel naar aanleiding
van een betoog over “Duurzame landbouw” in het Brabants Dagblad Nov. 1995,
geschreven door een zekere mijnheer Juffermans, waarin deze pleit voor kleinschalige
landbouw op ecologische grondslag en hij stelt dat de aldus gewonnen producten niet
alleen beter en gezonder zijn dan die uit de reguliere landbouw, maar ook dat deze
producten op regionale markten zouden moeten worden afgezet:
Verder terug werd al het een en ander in dit opzicht gezegd. Ik meen er goed aan te doen
echter, al was het maar omdat herhaling vaak de beste leermeester blijkt, een deel van het
artikel weer te geven. Het laatste deel lijkt hiertoe belangrijk. Het luidt als volgt: “Alleen
een protectionistisch beleid kan bewerkstelligen dat ecologische bedrijfsvoering kans van
slagen heeft. Een politiek van invoerrechten en exportsubsidies maken echter niet alleen
onze consumptiegoederen duur, maar via dumping hiervan op de wereldmarkt wordt ook
deze haar kansen ontnomen.
Wij moeten niet meewerken aan een duur en achterhaald productieproces, gericht op
regionale markten, waar de huisvrouw moet worden wijsgemaakt dat het scharrelei beter
smaakt dan dat van de batterij en dat de kip die het heeft gelegd een gelukkiger leven
leidt. Een te groot deel van de agrarische bevolking is door een in het verleden gevoerd
grens en grenzeloos subsidiebeleid in de agrarische sector gebleven en mede hierdoor op
een dood spoor beland. Wij moeten ons echter niet blind staren op een vluchtweg zoals
de ecologische. Zeker niet nu wij als importerend en exporterend land aan de vooravond
staan van een niet te ontkomen opgaan in een open wereldmarkt.
De voortschrijdende techniek en de internationalisering van de markt zal leiden naar
steeds betere en goedkopere producten. Uiteindelijk laat noch de echte producent, noch
de verstandige en prijsbewuste consument zich leiden door sentiment en modisch
snobisme. Dit zullen slechts verschijnselen blijken in het randgebeuren van de echte
vooruitgang.
Onze wereld vraagt om voedsel. Wereldwijd gezien is er dan ook geen overproductie,
zeker geen structurele. Die ontstaat wanneer naast een protectionistisch beleid, subsidies
meer regel worden dan uitzondering. We leven hier in Nederland met ca. 16 miljoen
mensen in een gebied dat voor wat onze industrie betreft, uitgezonderd aardgas,
verstoken is van alle benodigde grondstoffen. Die moeten van elders worden aangevoerd.
De agrarische industrie beschikt over ca. 2 miljoen hectare grond en ook deze bedrijfstak
moet heel veel grondstoffen vanuit andere landen aanvoeren. Jazeker, het is inderdaad
een gigantisch gesleep met voedsel en grondstoffen, overal vandaan. Toch zijn het vooral
deze bedrijvigheden, gericht op een evenwicht tussen import en export, die ook een baan
als die van de heer Juffermans mogelijk maakt. Ook de luxe van een ecologische tuin
kunnen wij ons alleen permitteren zolang dit evenwicht bestaat.
Het recente verleden heeft laten zien dat onze te duur werkende takken van industrie zich
hebben verplaatst naar elders, met als gevolg verlies van werkgelegenheid. Een open
markt, dat geldt ook voor de agrarische tak, had wellicht een totaal andere ontwikkeling
teweeg gebracht. Hierbij moet men denken aan kleinere arbeidskosten-verschillen t.o.v.
die in andere landen. Maar ook dat vanuit het agrarische bevolkingsdeel de overgang naar
andere beroepen en verplaatsing naar andere locaties, meer voor de handliggend zou zijn
geweest. Grond en bedrijven zouden minder duur zijn geworden wanneer vooruitzichten
J.A.M. Beijer
31
op allerlei subsidies en beschermende maatregelen niet hadden bestaan. Wat dit laatste
betreft; ook de nu groter wordende bedrijven gaan een moeilijke tijd tegemoet”.
De toren van Babel een utopie?
Een van de grootste misverstanden die de voltooiing van ons bouwwerk in de weg staan is
misschien wel de misvatting dat dieren en mensen gelijkwaardig zijn. Het boek “ Animal
Liberation” van de ethicus Peter Singer lijkt de bijbel te zijn geworden van onze
dierenbevrijders. De gelijkwaardigheid van mensen en “andere dieren” staat hierin
voorop. Het boek bevat een dramatische opsomming van gruwelijke martelingen die
volgens hem dieren moeten ondergaan in de bio-industrie en bij dierproeven. Singer trekt
vergelijkingen met de Holocaust, maar vooral met de slavernij. Voor wie daar gevoelig
voor is, is zijn schrijven een sterk emotioneel beladen, en moreel appel. En deze naturen
zullen er misschien niet tegen opzien een voor hen in de weg lopend mens om te leggen.
(Uit HP De Tijd)
In een wereld waar bijna iedereen sinds vele generaties is vervreemd van zijn agrarische
wortels en waar overdreven sentimentaliteit t.o.v. dieren hoogtij viert, valt moeilijk uit te
leggen dat wat deze Peter Singer schrijft en door zijn volgelingen (vaak ondersteunt
vanuit de vooral links georienteerde media) wereldwijd wordt uitgedragen, de meest
weerzinwekkende leugens en verdraaiingen van de werkelijkheid zijn. Maar zo als de
moordenaar van Fortuyn vanuit de gevangenis aan zijn vrouw schrijft dat het niet gaat
om de waarheid, maar dat alleen functionaliteit is wat geldt, lijkt ook deze Singer, het
idool van deze man, dezelfde opvatting te zijn toegedaan.
Men mag er over redetwisten of bij het houden van dieren in de moderne veehouderij en
ook bij het houden van dieren voor dierproeven meer diervriendelijke voorzieningen
kunnen worden toegepast. Waar echter het uiteindelijke doel van Recht voor
dierenorganisaties is dat geen vlees meer zal worden gegeten, is het bijna
vanzelfsprekend dat allereerst de moderne en grootschalige veehouderij zal worden
gedemoniseerd. Wanneer dit er toe zou leiden dat ons alleen een kleinschalige en
achterhaalde manier van vee houden over blijft, en misschien ook import vanuit
goedkoopte landen kan wordt afgehouden, het consumeren van vlees nog slechts een
elitair voorrecht zal blijken. Om dit te realiseren mensen die uit de aard van hun beroep
daarbij betrokken, te beschuldigen van “gruwelijke martelingen” waarvoor zij
verantwoordelijk zouden zijn, is weerzinwekkend.
De discussie rond het houden van dieren met als doel deze te consumeren laait hoog op.
Dat mag, maar die discussie moet wel worden gevoerd met eerlijke argumenten, niet met
leugens en op terreur lijkende activiteiten. Wij behoren tot de klasse van de omnivoren;
De enige mogelijkheid als landbouwhuisdier het licht te zien, is dan ook de garantie dat
het mag worden gegeten, een dier heeft geen weet van wat dood gaan betekent, hij leeft
dus ook niet met dat gruwelijk vooruitzicht. Dit zijn toch geldige argumenten die in deze
discussie mogen worden opgevoerd om het houden van dieren voor vleesconsumptie,
zolang hiervoor geen aannemelijk alternatief is, te rechtvaardigen.
Vegetarisme leidt tot het uitsterven van onze landbouwhuisdieren. Het leidt ook tot een
cultuuromslag; Geen net verpakte vis of vlees in de winkelschappen, geen viskramen op
de wekelijkse markt, en ook de kaasboer laat verstek gaan. In plaats van koemelk drinken
we sojamelk, en in plaats van een heerlijk lamskoteletje of malse kuikenbout nemen we
genoegen met een op sojabasis nagemaakt alternatief. Maar ook de landschappelijke
De Toren van Babel
32
omgeving zal een grote verarming ondergaan. Dit tenzij we bereid zijn de verschraalde
leefruimte op onwaarachtige wijze te stofferen met disfunctionele veehouderijen, geleid
door van het rijk uit onderhouden figuranten.
Voor bemesting van onze gewassen, bij afwezigheid van organische mest zullen we zijn
aangewezen op het gebruik van kunstmest; een meststof die juist door allerlei
milieuorganisaties wordt afgewezen. Maar afgezien van het feit dat de meeste kunstmest
weliswaar voorziet in aanvulling van elementen, zoals stikstof, fosfor, en kali, welke op
verreweg de meeste grondsoorten onvoldoende voorhanden zijn, zal ook een tekort
ontstaan aan voor de plantengroei noodzakelijke sporenelementen als koper, magnesium,
mangaan, borium, selenium en vele anderen, die tot nu toe voor een groot deel met
organische mest in de grond werden terug gebracht. Zo zal vegetarisme niet alleen leiden
tot verschraling van onze leefomgeving en onze eetcultuur, maar ook tot verschraling van
de bodem. Hieraan mag worden toegevoegd dat genoemde elementen ook voor mens en
dier van levensbelang zijn. Misschien rest ons voorlopig alleen de mogelijkheid de door
ons zelf geproduceerde fecaliën terug te brengen op onze, op de verbouw van vegetarische
gewassen toebereide akkers.
Het is bekend dat het produceren van een calorie vlees ten koste gaat van meerdere
calorieën voedende bestanddelen. Een gegeven dat ook onze Milieuorganisaties en de
Recht voor dieren beweging in een spagaat lijkt te brengen. Enerzijds verschaft dit hen
een argument te meer in hun strijd tegen het consumeren van vlees, anderzijds worden
ook zij hierin geconfronteerd met uit sterven van onze landbouwhuisdieren. Ons pleidooi
tegen het vegetarisme wordt niet alleen ondersteund door wat in het hier aan
voorafgaande is genoemd. Ook het feit dat bijproducten die vrijkomen bij de bereiding
van onze voedingsmiddelen, en ongeschikt zijn voor menselijke consumptie, verwerkt
worden in de veevoederindustrie, maar ook het feit dat een groot deel van de
cultuurgrond alleen geschikt is voor beweiding, ontkracht voor een groot deel de stelling
dat vleesproductie bijdraagt aan het wereldvoedseltekort.
Ten slotte:
Naast ander nieuws namen wij kennis van een zeer opmerkelijk bericht: Een aantal
blijkbaar slimme varkens heeft de aandacht getrokken en het enthousiasme weten te
wekken bij wetenschappers, verbonden aan de Landbouw Hogeschool te Wageningen. Zij
hebben deze wetenschappers bereid gevonden wetenschappelijk onderzoek te doen naar
de varkens hun intelligentie, die naar ze zelf menen, uitsteekt ver boven dat van de
doorsnee chimpansee. Mocht dit onderzoek leiden tot voor hen positieve resultaten, dan
mogen we verwachten dat verdere, meer aansprekende bevrijdingsacties, nu door de
dieren zelf begeleid, zullen volgen. Varkenshouders maar ook wij wachten met spanning
op wat ons allen nog meer te wachten staat!
J.A.M. Beijer
33
Zijn Braziliaanse boeren moderne slaven?
“De Westerse landbouw beschouwt Brazilië als een regelrechte bedreiging. Reden voor de
Zuidelijke land en tuinbouworganisatie (ZLTO) om zelf eens een kijkje te gaan
nemen”.Aldus de aanhef van het artikel “Braziliaanse boeren moderne slaven”. Het
Brabants Dagblad d.d. 3- 6- 2006.
Is de Braziliaanse boer slaaf van het grootkapitaal, zoals in het artikel wordt gesuggereerd,
of dreigt hij het slachtoffer te worden van de Landlozen organisatie; M.S.T. die hem via
landbezetting begeleidt op de door haar aangewezen weg naar de z.g.n.
“Familiecommune” waarbij privé bezit van land wordt ontkend? Omdat wegens
geldgebrek de beginnende boer kunstmest en goede bestrijdingsmiddelen moet ontberen,
wordt ecologische landbouw gepropageerd, waarin die wordt geholpen, doordat mensen
uit de omgeving die producten graag kopen, dit “omdat de kolonisten hun gewassen op
natuurlijke wijze verbouwen”.
Voortvloeiende hieruit, de M.S.T. is fel gekant tegen globalisatie en tegen de
vrijhandelszone van Noord, Midden en Zuid-Amerika; de F.T.A.A. Om de zelfde reden
keert zij zich tegen grootschalige landbouw en zullen haar leden zich uiteindelijk op een
dood spoor bevinden. Want grootschalige landbouw, ook in Brazilië, is niet tegen te
houden. De wereld vraagt om voedsel, terwijl de voortschrijdende techniek en
industrialisatie een steeds grotere zuigkracht zal uitoefenen op het voorhanden zijnde
arbeidspotentieel dat zich nu nog bezig houdt met een te dure en achterhaalde wijze van
agrarische productie.
Wanneer het waar is dat in Brazilië de agrarische productie, vooral door grootschalige
aanpak een explosieve groei doormaakt, die vervolgens, geholpen door de lage koers van
de reaal leidt tot een sterk toenemende export die dit in armoede verkerende land de
middelen zal aanreiken niet alleen om te komen tot een verdere modernisering van zijn
landbouw, maar ook de mogelijkheid opent voor industriële ontwikkeling en een daaruit
voortvloeiende werkgelegenheid, hoeft dat niet te zijn, zoals het artikel doet
veronderstellen, een gevaarlijke ontwikkeling. Het lijkt alleen maar toe te juichen.
Ik weet niet of contractuele verplichtingen die de Braziliaanse boer aangaat met het
grootkapitaal, vergelijkbaar zijn met die welke worden aangegaan door onze pluimvee en
varkenshouders met hun coöperatie, de voederindustrie en de afnemers en verwerkers
van het door hen te leveren product. Ook zij zijn, zo wordt vaak gesuggereerd, aan
handen en voeten gebonden. Alleen onze melkveehouders en akkerbouwers konden dank
zij gegarandeerde subsidies en grensbewakende maatregelen hun “zelfstandigheid”
behouden.
Moderne wijze van slavernij; of is dit moderne en grootschalige aanpak van produceren
waarbij het nemen van grote risico´s niet past en waarbij, juist om die reden, een groot
stuk zelfstandigheid moet worden ingeleverd? De Z.L.T.O. gebruikt het woord
contractloner t.a.v. de Braziliaanse boer. Maar genoten onze contractloners niet een grote
mate van voorspoed en welvaart, meer dan ze ooit hadden kunnen bereiken wanneer was
gekozen voor zelfstandig ondernemen. En zal ook de bezittende klasse en de politiek in
Brazilië niet ook meer gebaat zijn met welvarende contractloners dan blijvend te worden
geconfronteerd met door extremistische groeperingen tegen de staat opgezette arme
boeren die, sappelend op hun kleine akkertje, achterhaalde landbouw bedrijven. Een
De Toren van Babel
34
wijze van ondernemen die niet leidt tot welvaart en deelname aan de wereldhandel, maar
die leidt tot bittere armoede.
Dat de opkomende moderne landbouw, ook die in Brazilië een bedreiging lijkt te vormen
voor de Europese boer, is aannemelijk. Dit vooral omdat vrije wereldhandel het leidmotief
is geworden voor de oplossing van het door de Westerse wereld veroorzaakte onrecht t.a.v.
de derde wereldlanden. Een onrecht dat gevoed werd door een handelspolitiek, gebaseerd
op het “vermeende” eigenbelang waarbij vooral met importheffingen en exportsubsidies
niet alleen de West-Europese consument tekort werd gedaan, maar waardoor vooral de
derde wereldlanden de mogelijkheid van economische ontwikkeling werd onthouden. Wij
moeten onze werkelijke ambities niet verschuilen achter eventuele mistoestanden in een
land als Brazilië, om daarmee het grote ideaal van een vrije wereldhandel af te houden.
Om het tij te keren moet, aldus het Z.L.T.O., de Nederlandse landbouw dat wat zij goed
kan nog beter doen. We moeten West Europa van verse waar voorzien. Brazilië, zegt zij,
levert alleen maar geconserveerd bulkgoed. Zo moeten de supermarkten er op worden
gewezen dat zij mede verantwoordelijk zijn voor de onderdrukking in Brazilië wanneer
zij Braziliaanse producten verkopen. En bij de W.H.O. moeten wij onze poot stijf houden
als het gaat om importheffingen. “Als handelsnatie moeten we wel meebewegen op de
wereldmarkt, maar in “beperkte mate”.
De Nederlandse landbouw zal, zoals ook in het artikel wordt aangegeven, alles moeten
doen wat in haar vermogen ligt, om het hoofd te kunnen bieden aan de opkomende
wereldmarkt. Een wereldmarkt gebaseerd op grootschalige productiviteit. Maar zal, juist
hierom, onze landbouw niet ook moeten beseffen dat het niet de ecologische verbouw van
gewassen, noch het ecologisch winnen van zuivel en vlees zullen zijn die haar de
mogelijkheid bieden als boer stand te houden? Naast krantenartikelen die ecologische
werkwijze in de landbouw propageren, wordt door gedegen wetenschappelijk onderzoek
vastgesteld, steeds vaker duidelijk hoe de resultaten van deze onderzoeken aangeven dat
de regulier gewonnen producten in niets onder doen voor die uit de ecologische tuin.
Vaak blijkt zelfs het tegendeel. Ook zullen we moeten erkennen dat West Europa, juist
door haar gewraakte handelspolitiek, maar ook door de veelheid van
subsidiemogelijkheden, met als gevolg het in stand houden van kleinschaligheid in de
landbouw, zich zelf uit de markt heeft geprijsd. Dat supermarkten medeverantwoordelijk
zouden zijn voor de onderdrukking in Brazilië lijkt niet terecht. Terwijl de supermarkt
niets te verwijten valt daar zij volkomen legitiem handelt, is het niet fair haar hierover aan
te vallen. Wat zijn hier de werkelijke drijfveren en zijn er steekhoudende argumenten die
het overheidsbeleid in deze afvallen? Getuigt het van wijsheid een land als Brazilië, dat
met vallen en opstaan op weg naar een democratisch bestel, een land ook dat kampt met
een gigantische staatsschuld, buiten te sluiten? Linkse groeperingen, zoals ook de M.S.T.
die op grond van de aloude socialistische opvatting, dat eigendomsrechten op grond niet
mogen bestaan, arme boeren aanzetten tot landbezetting, roepen vanzelfsprekend
weerstand op bij grondeigenaren met vaak vreselijke gevolgen. De weerstand en de
consequenties daaruit voortvloeiende worden door de media breed uitgemeten en
ongenuanceerd voor het voetlicht gebracht zonder ook maar enig begrip op te brengen
voor een al of niet gerechtvaardigd maar erkend eigendomsrecht. En hoewel de
Braziliaanse wetgeving voorziet in de mogelijkheid over te gaan tot onteigening van land
ten behoeve van de landloze boer, kampt het huidige bewind wellicht ook met de vraag
wat het toekomstperspectief is voor de Braziliaanse landloze boer wanneer die straks
opgaat in een familiecommune waar de dienst wordt uitgemaakt door de M.S.T. de
organisatie die zich uitspreekt tegen grootschaligheid, kunstmest en moderne
bestrijdingsmiddelen en voor wie globalisatie de verpersoonlijking is van de duivel. Zal
J.A.M. Beijer
35
dan deze Braziliaanse boer niet het zorgenkind blijken dat alleen zwaar gesubsidieerd op
de been kan worden gehouden?
De poot stijf houden en importheffingen aanhouden om daarmee een land dat blijk geeft
op weg te zijn naar een rechtvaardige samenleving af te straffen dat kan en dat mag niet;
dat is niet rechtvaardig t.o.v. Brazilië, niet t.o.v. de derde wereldlanden en ook niet
rechtvaardig t.o.v. de Europese consument. “Deelnemen aan de wereldhandel in
“beperkte mate”. Maar in welke mate, en is hier bedoeld de mate waarin een land al of
niet voldoet aan zijn humanitaire verplichtingen, of moeten we veeleer denken aan de
mate van voordeel voor het van import afhankelijke land? Wanneer humaniteit in het
geding is moet trouwens niet worden gedreigd met het heffen van importpenningen
maar veeleer met het weigeren van welk product ook!
Zal het Braziliaanse model gevolgen hebben voor de structuur en het landschap waarin
wij landbouw bedrijven? “Het Braziliaanse gevaar”? Ook wordt gesteld dat de toepassing
van de moderne landbouwtechnologie hand over hand toeneemt. Wat, zoals hieruit volgt,
de productie van agrarische producten nog verder opstuwt.
Niet alleen het Braziliaanse model zal de structuur en het landschap; hoe en waarin wij
landbouw bedrijven veranderen. Voortschrijdende technologische evolutie is niet
voorbehouden aan een land als Brazilië. Door de eeuwen heen werd de agrariër
geconfronteerd met andere en ook betere methoden van werken. Met de uitvinding van
het eerste visnet nam de exodus uit de agrarische sector een aanvang. De technologische
vooruitgang en de daaruit voortvloeiende industrie oefenden vervolgens een toenemende
zuigkracht uit op deze sector. Dit en de later uitdijende dienstensector liggen ten
grondslag aan grootschalige landbouw. Hierdoor neemt niet alleen de wijze van werken,
maar ook de omgeving waarin de activiteit plaats heeft steeds weer andere vormen aan.
Terugkijken naar wat voorbij is; daadwerkelijk oude en achterhaalde structuren en het
daardoor ontstane landschap trachten te behouden is verleidelijk. Maar een niet
levensvatbare bedrijfstak met subsidie en onder vaak twijfelachtige of valse
voorwendselen tot leven wekken is als trekken aan een dood paard. Dit is geen
landbouwbeleid, maar een beleid geënt op een hang naar nostalgie. Hiermee verwordt de
samenleving tot openluchtmuseum. Het scenario waarin de acteur zijn roeping en
zelfrespect wordt ontnomen. Het behoud van mooie oude boerderijen als
herkenningspunt van onze geschiedenis is prijzenswaardig. Een bedrijfstak in stand
houden die niet meer van deze tijd is of overbodig, is het verloochenen van de
geschiedenis zelf. Het bezwaar dat door de toenemende mogelijkheden die de
technologie ons biedt, de productie van agrarische producten en daarmee de
concurrentiedruk op onze markt steeds maar toeneemt, is misschien te billijken van uit
producentenoogpunt. Maar ook Z.L.T.O. weet dat het doel van de vrije markt is;
produceren op die locaties in de wereld waar dit het goedkoopst en op de meest efficiënte
wijze mogelijk is. De wereld vraagt om voedsel, niet om arme boeren in Brazilië of waar
ook ter wereld, die daartoe aangezet door allerlei obscure anti-globalistische organisaties,
bezig worden gehouden met het bedrijven van achterhaalde landbouw. Dat is de beste
manier om vooruitgang te traineren, ook die voor de kleine Braziliaanse boer. Dat een
vrije markt de wereld ten goede zal komen is niet alleen omdat bij lagere kostprijs en
meer geschikte locatie de productiviteit zal toenemen; maar vooral ook omdat de
achtergebleven gebieden in de wereld hiermee de kans wordt geboden deel te nemen aan
de technische vooruitgang wat hun tot nu toe niet was vergund. De vrije markt zal leiden
tot grotere welvaart voor de al maar groeiende wereldbevolking. We moeten niet het
belang van de producent voorop stellen. We moeten ons realiseren dat het uiteindelijk
gaat om de consument. Met inachtneming van het feit dat niemand gediend is met
overvolle stalles vandaag wanneer die leiden tot lege stalles de dag er na, leidt toename en
De Toren van Babel
36
verbetering van productie in een open markt, maar ook competitie tussen producerende
landen tot grotere welvaart voor elke wereldburger. We moeten ons hierbij wel realiseren
dat bij multinationals en andere grote ondernemingen het gevaar om de hoek ligt dat
monopolistische situaties kunnen ontstaan waardoor de omvang van de productie en de
hoogte van de door de consument te betalen prijs niet gerelateerd zal blijken aan de
productiekosten, doch aan die van optimaliseren van winst. Een wijze van produceren
waarbij veel productief potentieel verloren gaat. Breed opgezette coöperatieve productie
en distributie van eindproducten, maar mogelijk ook door de overheid geleide bedrijven
kunnen misschien een tegenwicht vormen t.a.v. mistoestanden ontstaan door het
economisch monopolie.
Bij het ingaan van de vrije markt zal mondiaal gezien verplaatsing van productie niet te
voorkomen zijn. Juist in de meer ontwikkelde landen zal in veel takken van bedrijf
werkgelegenheid verloren gaan. Ook in de agrarische sector. Vooral in die segmenten
waar het inkomen voor een deel afhankelijk is van toeslagen, importheffingen, export en
andere subsidies, zal voor velen, wanneer geen adequate financiële tegemoetkoming voor
de zittende generatie in het vooruitzicht wordt gesteld, een moeilijke tijd aanbreken. Aan
de andere kant, wanneer bij introductie van de vrije markt in de nu minder ontwikkelde
landen inderdaad industriële ontwikkeling op gang komt zal dit ook het Westen kansen
bieden aan die ontwikkeling hun bijdrage te mogen leveren. Dit tot beider voordeel. Te
denken valt aan opbouw van infrastructuur, export van kapitaalgoederen en
kennisoverdracht.
“Wat te denken van het feit dat in Brazilië rundvee wordt gevaccineerd tegen mond en
klauwzeer? Dat doen ze daar gewoon. En dat vlees exporteren ze zo maar naar Nederland.
Dit terwijl onze beesten worden afgemaakt als we preventief enten. Hierover hoor je ook
de supermarkt niet; die verkoopt het gewoon”. Aldus het artikel.
Dat wij dit vlees zonder meer accepteren lijkt misschien raar. Maar moeten we als dit zo
is, het verwijt richten op de supermarkt? Ik neem aan dat deze, in het recente verleden
door diverse actiegroepen geterroriseerd vanwege de toch legitieme verkoop van eieren
van op batterij gehouden hennen, wijs genoeg is zich niet te bezeren aan deze meest
recente “steen des aanstoots”, die nu onterecht bij haar in de schappen terecht lijkt te
komen. Het is de taak van de overheid, niet die van de supermarkt en ook niet die van
allerlei duistere organisaties, toe te zien op veiligheid en herkomst van te importeren
producten.
Op internet, Agri Holland Dossier 16 Okt. 2005 nemen we kennis van het volgende: 1
Mond en klauwzeer in Brazilië kan uw steak duurder maken. 2 Na de uitbraak van mond
en klauwzeer in Brazilië heeft de Europese Unie de invoer van rundvlees uit drie
Braziliaanse staten verboden. 3 Brazilië levert de helft van al het rundvlees dat
internationaal verhandeld wordt. 4 Géén land kan de toevoer naar de wereldhandel
vervangen als groot deel van Braziliaanse export wordt geblokkeerd. 5 De ban op het
Braziliaanse rundvlees behoeft niet lang te worden aangehouden. 6 Voorwaarde daartoe:
Braziliaanse overheid moet maatregelen nemen en daarover zorgvuldig met de EU
communiceren. 7 Brazilië heeft de internationale regelgeving gevolgd. 8 Het neemt
stappen tegen de verspreiding van ziekte. 9 Brazilië heeft geluk dat zijn concurrenten het
vacuüm dat zou vallen bij algehele exportblokkade van rundvlees, niet kunnen opvullen
en dát in het jaar dat vraag naar rundvlees naar verwachting zes procent zal groeien. 10
Brazilië exporteerde tussen Sept. 2004 en Aug. 2005 2,2 miljard ton rundvlees, bijna
evenveel als alle andere exporteurs samen. 11 Argentinië herstelt nog van een ernstige
economische crisis en de export zit aan een plafond. 12 De V.S. zit met twee recente
gevallen van B.S.E. en de E.U. is een netto importeur geworden. 13 maandag bevestigde

de Braziliaanse minister van landbouw dat mond en klauwzeer was uitgebroken op een
ranch in Mato Grosso do Sul met 582 runderen en 7 varkens. Die werden alle geslacht en
er werd een schutring ingesteld waarbinnen geen vervoer mocht plaats hebben. 14 De
E.U. (de grootste markt), verbiedt import uit Mato Grosso do Sul, Panama en Sao paulo,
de drie voornaamste rundvlees exporterende deelstaten. 15 Ferras, technisch directeur
van FNP (Het L.E.I. in Brazilië) schuift de schuld van de crisis, ontstaan door de ban op
export grotendeels op de Braziliaanse overheid, die een groot deel van het budget besteedt
aan het aanzuiveren van de staatsschuld en bespaarde op preventieve maatregelen in de
veeteelt.
Hiermee worden een paar dingen duidelijk: Als mond en klauwzeer in Brazilië onze
biefstuk duurder maakt, volgt daaruit dat de handel met dit land voordeel oplevert voor de
rest van de wereld. (Kopen daar waar dit het goedkoopst is). Wanneer het waar is dat de
EU de invoer van rundvlees uit drie Braziliaanse door M.K.Z. besmette staten verbiedt,
wordt hiermee de stelling dat hier zo maar M.K.Z. besmet vlees wordt geïmporteerd,
ontkracht. Dat de ban op import van vlees niet lang zal aanhouden heeft te maken met
het feit dat net zo min als binnen Europa alle staten een exportverbod krijgen opgelegd bij
uitbraak van veeziekte in een van die staten, het óók geen pas geeft een land als Brazilië,
240 maal de grootte van Nederland export van vlees voor het gehele land te verbieden.
Ook het feit dat géén land in staat is deze export over te nemen speelt zeker een rol. Maar
los hier van, de E.U. verbindt strikte voorwaarde aan de toestemming tot export. Dat
Brazilië vaccineert tegen MKZ en niet meedoet aan vernietiging van rundvee zou een
voorbeeld moeten zijn voor de EU. Europa zou zich moeten inspannen voor oprichting
van een internationaal gefinancierd vaccinatiefonds dat het mogelijk maakt, bij uitbraak
van veeziekte, waar ook ter wereld onmiddellijk te kunnen ingrijpen. Integrale vaccinatie
is wellicht te duur en bovendien zal hierbij blijken dat wanneer uitbraak van ziekte tot het
verleden lijkt te horen, de bereidheid tot vaccinatie zal afnemen. Wanneer een dergelijk
fonds zou worden verwezenlijkt zal hiermee wellicht ook de vrees voor import van
gevaccineerd vlees overbodig blijken.
Het is duidelijk dat behalve bezorgdheid over humanitaire wantoestanden in Brazilië het
vooral de vrees is voor concurrentie die als een rode draad loopt door het betoog: Een
toenemende export van goederen naar Europa, de ontwikkeling naar grootschaligheid en
dus betere en goedkopere productiemethoden, een gigantisch potentieel aan
productiemogelijkheid in de vorm van marginaal land, de vrees voor het importeren van
M.K.Z. besmet vlees en vlees in het algemeen. Maar ook de door het Z.L.T.O. genoemde
kwalijke gevolgen t.a.v. onze landbouwcultuur en het landschap waarin wij landbouw
bedrijven worden opgevoerd. Bij het laatste mag men zich afvragen of deze bezorgdheid
uit gaat naar de cultuur en het landschap, of dat het een beroep is op instanties die ijveren
voor het behoud van kleinschaligheid? Kortom; vooral de vrees dat de Europese landbouw
moeilijke tijden te wachten staat wanneer de vrije markt werkelijkheid wordt voert de
boventoon. Hoe moeilijk echter de overgang naar een vrije markt ook zal blijken; de
schuld die we op ons hebben geladen zal eens moeten worden vereffend. De nu nog voort
ploeterende kleine boer in de minder ontwikkelde landen wacht op het grote gebaar van
de Westerse wereld
Er lijkt een symbiose te ontstaan tussen milieugroepen van velerlei pluimage en de
landbouworganisatie Z.L.T.O. Met voorbijgaan aan het feit dat landbouw de bron van
voedsel behoort te zijn in dienst van de wereldbevolking, wordt vooral het belang van de
bij de landbouw betrokkenen verdedigd. Dit ook van de agrariër die zich bezig houdt met
achterhaalde werkmethoden en onder de warme deken van milieu en dierenactivisme,
ecologische en diervriendelijke rim ram verkondigend, zijn te dure product probeert aan
de man te brengen. Om zich in deze situatie blijvend te kunnen handhaven, wordt vooral
De Toren van Babel
38
grootschaligheid en wereldhandel veroordeeld. De milieubeweging en landbouw vinden
elkaar op deze punten wonderwel. Waar het ecologisch product moet worden
gepropageerd laten de milieuorganisaties zich niet onbetuigd. Dat zou dan wellicht een
van de redenen kunnen zijn dat de Z.L.T.O. gedwee aan de leiband loopt van de club die
zich niet schaamt, door middel van intensieve terreuracties tegen winkel en
verwerkingsbedrijven, tracht haar zin door te drijven.
Nadat Campina, de grootste coöperatie van melkveehouders, met allerlei acties werd
bestookt, zegt deze toe vanaf september alleen groene soja van kleine familieboerderijen
in Brazilië te gaan afnemen. Aldus een artikel in Brabants Dagblad van 14 juli ‘06.
Daarmee, aldus de krant, behaalt de sojacoalitie, een club van milieu en
ontwikkelingsorganisaties, haar eerste succesje binnen. Het wereld natuurfonds en
solidaridad, behorende tot deze coalitie, ondersteunen het initiatief. Omdat volgens hen
de overheid verzaakt heeft verantwoordelijkheid te nemen moeten er zaken worden
gedaan met het zakenleven zelf. Maar de adder, voor eens gekoesterd aan Campina’s
borst, wil meer: Nu ze het succes heeft geroken eist Greenpeace dat ook de genetisch
gemodificeerde soja door haar zal worden afgezworen. Echter, dit gaat het zuivelbedrijf
‘nog’ te ver. Genetisch manipuleren acht zij principieel niet verwerpelijk omdat, zo zegt
zij, hiermee gewassen kunnen worden gekweekt die immuun blijken tegen ziekte en voor
planten schadelijke insecten, zodat minder bestrijdingsmiddelen hoeven te worden
gebruikt. En terwijl Campina haar wonden likt en zich verheugt haar nu groene melk
duurder aan de man te kunnen brengen, verschijnt een ander maar niet minder giftig
addertje, van onder het ‘groene’ gras: Milieudefensie neemt de Boxtelse slachterij Vion in
haar wurggreep: Zij heeft aangekondigd dat op dinsdag 25 juli actie zal plaats hebben
waarbij het gehele bedrijf wordt afgesloten. Dit tenzij de slachterij stappen onderneemt
tegen de misstanden bij de teelt van soja in Brazilië. Milieudefensie vindt deze in zoverre
bereid aan haar wensen te voldoen, dat die belooft zich op de in september te houden
ronde tafelconferentie in Paraquay te zullen inzetten voor een overeenkomst over
duurzame sojateelt.
Hoewel in dit geval de rechter de voorgenomen bezetting door Milieudefensie heeft
verboden; de misslijk makende knievallen van de aan Z.L.T.O. gelieerde organisaties,
door terreur afgedwongen door actiegroepen, vragen om passende maatregelen. Juist
hierin mag de overheid niet langer verzaken haar verantwoordelijkheid te nemen. Zodat
niet actiegroepen, doch de wettig gekozen overheid weer de toon mag zetten.
J.A.M. Beijer
39
De waarheid rond biologisch voedsel
Kan biologisch voedsel de wereldbevolking voeden? Activisme vermomt als wetenschap.
Door Alex en Dennis T. Avery,
Een recente studie, gepubliceerd in een alternatief agrarisch tijdschrift, trok wereldwijd
de aandacht naar aanleiding van de bewering daar in, dat met biologische teelt het niet
alleen mogelijk is de wereldbevolking adequaat te voeden, neen, met deze wijze van telen
zou het zelfs mogelijk worden meer voedsel te produceren op minder land. Dit klinkt
werkelijk sensationeel.
In de wetenschap geldt dat naar mate de bewering sensationeler, de bewijsvoering meer
overtuigend behoort te zijn. Maar in dit geval, de bewijsvoering laat veel te wensen over.
In feite blijkt de bewijsvoering zo zeer te kort te schieten, dat het tijdschrift wat de studie
publiceerde te gelijkertijd ook, niet een, maar twee vernietigende verklaringen als reactie
weer gaf. Dit mag alles betekenen, behalve een klinkende ondersteuning.
Een simpele vergelijking tussen de auteurs van het stuk en de critici is onthullend. De
“biologisch kan de mensheid voeden” auteurs bestonden uit een collectie van academici
zonder enige agrarische achtergrond. De bij de “studie” leidinggevende auteur
bestudeerde fossielen van eekhoorntanden op de universiteit van het Paleontologiemuseum
in Michigan. De anderen behoorden tot de “School der Natuurlijke
Hulpbronnen en Milieu”. Daar tegenover, twee critici; waarvan een, een
landbouwdeskundige aan de Universiteit in Nebraska, Kenneth Cassman, de andere, een
biologische boer, Jim Hendriks.
Cassman stelt dat “hun analyses zelfs niet voldoen aan de meest elementaire
wetenschappelijke voorwaarden bij de vergelijking van voedsel productiecapaciteit t.a.v.
gewassen onder verschillende productie systemen”.
Allereerst: veel van de studies waar zij zich op beroepen, zijn simpelweg onbetrouwbaar.
Een omvangrijke verzameling gegevens ( samenvattingen over meer dan half van de
“toename verhoudingen” die werden gebruikt voor inschatting van de voedselproductie in
de ontwikkelingslanden ) berustten op meestal overeenkomstige resultaten betreffende
toegenomen productiviteit, uit een beantwoordde vragenlijst die was voorgelegd aan
activisten die demonstratievelden beheren. Dat mist toch elke wetenschappelijke
benadering. Dit vooral wanneer de teruggestuurde vragenlijsten onmogelijke biologische
groeitoenames claimen van meer dan 500 procent. Een andere omvangrijke verzameling
van gegevens, gebruikt door de Michigan onderzoekers is zo aanvechtbaar dat een
kritisch krantenartikel, gepubliceerd in het tijdschrift “Veldgewassen-onderzoek” was
getiteld “Fantastische rijstoogsten in het systeem van rijst intensivering: feit of bedrog”?
Centraal in het debat is het tekort aan organische stikstof, (stikstofverbindingen die vooral
voorkomen in stalmest). Maar op dit ogenblik is er slechts voldoende dierlijke mest voor
een vijfde van de huidige op de wereld verbouwde landbouwgewassen. De enige weg naar
een meer ecologische manier van gewassenteelt is meer land te bestemmen voor de
verbouw van vlinderbloemige gewassen, en weilanden met veel klaver om daarmee de
behoefte aan stikstof tegemoet te komen. Maar dit vraagt miljarden acres additionele
landbouwgrond, waar de wereld thans niet over beschikt.
De Michigan onderzoekers zetten deze nederig makende realiteit ter zijde, calculerend
dat, theoretisch, voldoende stikstof kan worden gewonnen met de verbouw van stikstof
De Toren van Babel
40
verzamellende dekvruchten tijdens de herfst/winter en tussen de gewassen om daarmee
de tekorten aan te vullen. Maar zoals Dwight Eisenhower eens zei; “boeren lijkt oh zo
gemakkelijk, zolang de ploeg is je pen en je leeft een duizend mijl weg van de te ploegen
akker.
Het uiteindelijke, amusante maar vooral trieste getuigenis t.a.v. deze fantasiewereld,
gepresenteerd door deze onderzoekers heeft van doen met de conclusie die zij trokken uit
het politiek forum artikel, waarin wordt gewezen op het stralende voorbeeld van Cuba,
“als het meest progressieve systeem in de wereld” waar de ecologische landbouw het land
zo succesvol voedt. Oh, ja, de beroemde Cubaanse “verlichtte agricultuur ” die ontstond
bij het eindigen van de sovjet donaties, in de vorm van industrieel gewonnen meststoffen
en pesticiden.
Maar hoe verging het Cuba werkelijk in het “ecologische paradijs”? Uitgaande van
officieuze statistische gegevens kampt Cuba met massale voedseltekorten en rantsoeneert
de basale behoefte aan voedsel. Maar ga niet bij mijn woord. Luister liever naar de
Cubaanse immigranten, die werden geïnterviewd tijdens een praatje op 27 December
2006 op de Nationaal Publieke Radio’s Morgen Editie:
Joel Lopez, een vermagerde 19 jarige, die op 14 Dec. 2006 in Miami arriveerde met
toestemming van de immigratie autoriteit. (immigration lottery) zegt middels zijn tolk:
“Alles is hier zó verrassend, de nette straten, het voedsel, de winkels. Het is alles niet te
vergelijken……ik vertelde het aan mijn vrienden, zoals dat van het Chinese restaurant dat
ik bezocht. Ik vertelde hen hoe je jezelf mag bedienen, over en over.
Een vrouw naast hem, Louisa Martinez, haar man was bakker in Cuba. Maar ook voor
haar, het voedsel, dat bleek het meest verbazingwekkende. Met hulp van haar vertaler
roept zij uit; “Oh, voedsel! Hier is een overvloed van voedingsmiddelen. Daarginds is
slechts heel veel honger. Dat is verschrikkelijk”.
Zo; wie zullen we geloven: de niet landbouw kundige pennenlikkende elitair, of de boer
uit de werkelijke praktijk, en de slachtoffers van de zo genoemde “progressieve
voedselbeweging”?
Dennis Avery is lid van het wetenschappelijk genootschap aan het Hudson Instituut. Alex
Avery is leiding gevend bij het onderzoekcentrum voor Global Voedselonderwerpen, en is
auteur van het nieuwste boek The truth about Organic Foods.
Wat betreft de oplossing van het tekort aan stikstof, zoals deze wordt aangedragen door de
Michigan onderzoekers mag ik opmerken dat, afgezien van het feit dat die oplossing
aanvechtbaar is om reden als aangegeven door Avery, planten vele andere elementen
nodig hebben. Maar als dat volgens ecologische opvattingen betekent dat ook kali en
fosformeststoffen, van anorganische herkomst niet mogen worden gebruikt, zal ook hun
stikstofvoorziening de wereld niet kunnen redden. (Een tafel op drie poten kan, maar als
je er een of twee onder weg haalt, valt zij om. Het is genoegzaam bekend dat op de
meeste grondsoorten, behalve gebrek aan stikstof, ook fosfor en kali moet worden
toegediend. De meeste kunstmest (van waar dat rotwoord?) bestaat dan ook uit
verschillende combinaties van stikstof, fosfor en kali. En bovendien; het is in
landbouwkringen niet onbekend dat gewassen verschijnselen van gebrek vertonen bij een
tekort aan koper, magnesium, mangaan en andere zo genoemde, sporenelementen.

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s